Doorwerking van het Europees recht in de Arubaanse rechtsorde

DOI: 10.5553/CJB/221132662015004002002
Artikel

Doorwerking van het Europees recht in de Arubaanse rechtsorde

Over de personele werking van de VEU en VWEU in verhouding tot het Nederlanderschap op Aruba

Trefwoorden nationaliteitsrecht, Europees burgerschap, prejudiciële verwijzing, Aruba, LGO
Auteurs
DOI
Bron
Open_access_icon_oaa
  • Toon PDF
  • Toon volledige grootte
  • Auteursinformatie

    N.C. Luk LLM

    N.C. Luk LLM is een alumnus van de Universiteit van Aruba en Universiteit Maastricht, en is werkzaam als PhD-researcher in het kader van het TRANSMIC-project aan het Centre for European Policy Studies te Brussel.

  • Statistiek

    Dit artikel is keer geraadpleegd.

    Dit artikel is 0 keer gedownload.

  • Citeerwijze

    Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel

    N.C. Luk LLM, 'Doorwerking van het Europees recht in de Arubaanse rechtsorde', CJB 2015, p.

    Download RIS Download BibTex

    • 1. Inleidende opmerkingen

      De Europese Unie is een belangrijk instituut geworden in de internationale juridische werkelijkheid. Op tal van gebieden hebben de Europese Verdragen1xMet de Europese Verdragen wordt bedoeld het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). grote gevolgen teweeggebracht binnen de rechtsordes van de lidstaten. Slechts een beperkt aantal onderwerpen isbuiten het bereik van de Europese Unie gebleven.

      Traditioneel is een van de belangrijkste onderwerpen die tot de soevereiniteit van de lidstaten behoren de regeling van het burgerschap (ofwel de nationaliteit). Dit vloeit niet alleen voort uit het internationaal recht,2xZie bijv. O. Dörr, ‘Nationality’, in: R. Wolfrum (red.), The Max Planck Encyclopedia of Public International Law, Oxford: Oxford University Press 2008, nr. 5. maar was – en is nog steeds – het uitgangspunt van het Europees recht.3xZie Verklaring nr. 2 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de nationaliteit van een Lid-Staat. Het is overigens opmerkelijk en wellicht ook een teken aan de wand, dat deze verklaring niet meer is opgenomen als bijlage van de Europese Verdragen, zoals deze werden geconsolideerd na de totstandkoming van het Verdrag van Lissabon. Maar er zijn verschillende aanwijzingen dat dit uitgangspunt minder vanzelfsprekend begint te worden. Met name na de zaak Rottmann4xHvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08, Jur. 2010, p. I-1449 (Janko Rottmann tegen Freistaat Bayern). van het Hof van Justitie van de Europese Unie is het nog maar de vraag of de lidstaten hun autonomie op dit gebied niet gedeeltelijk hebben ingeleverd met de invoering van het Europees burgerschap.5xZie daarover G.R. de Groot, ‘Overwegingen over de Janko Rottmann-beslissing van het Europese Hof van Justitie’, Asiel- en Migratierecht 2010, nr. 5/6, p. 293-300; G.T. Davies, ‘The entirely conventional supremacy of Union citizenship and rights’, in: J. Shaw (red.), Has the European Court of Justice Challenged Member State Sovereignty in Nationality Law?, Florence: European University Institute 2011, p. 5-9; N.C. Luk, Het Nederlanderschap na Rottmann. Over de gevolgen van Janko Rottmann v. Freistaat Bayern voor de verliesbepalingen van de Rijkswet op het Nederlanderschap (masterscriptie Universiteit van Aruba, niet gepubliceerd). Het gaat het bestek van dit artikel echter te buiten om hierop uitvoerig in te gaan.6xZie daarover G.R. de Groot & N.C. Luk, ‘Twenty Years of CJEU Jurisprudence on Citizenship’, German Law Journal 2014, nr 5, p. 821-834; G.R. de Groot & A. Seling, ‘The Consequence of the Rottmann Judgment on Member State Autonomy – The European Court of Justice’s Avant-Gardism in Nationality Matters’, European Constitutional Law Review 2011, nr. 1, p. 150-160; H.U. Jessurun d’Oliveira, ‘Ontkoppeling van nationaliteit en Unieburgerschap? Opmerkingen over de Rottmann-zaak’, Nederlands Juristenblad 2010, nr. 16, p. 1028-1033; D. Kochenov, ‘Case C-135/08, Janko Rottmann v. Freistaat Bayern, Judgment of the Court (Grand Chamber) of 2 March 2010’, Common Market Law Review 2010, nr. 6, p. 1831-1846; Luk 2012, p. 18-25; J. Shaw (red.), Has the European Court of Justice Challenged Member State Sovereignty in Nationality Law?, Florence: European University Institute 2011.

      Voor de landen en gebieden overzee (LGO) is er een bijkomend probleem. Zij vallen namelijk niet (volledig) onder het bereik van de Europese Verdragen en het Unierecht, althans volgens artikel 355 VWEU. Hebben eventuele Europese normen op het gebied van het nationaliteitsrecht gevolgen voor deze gebieden? De meningen over de exacte interpretatie van artikel 355 VWEU variëren van enerzijds totale uitsluiting van het Unierecht, tenzij Deel IV anders bepaalt,7xVgl. M. Broberg, ‘Access to the European Court of Justice by Courts in Overseas Countries and Territories’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the Overseas: Outermost Regions, Associated Overseas Countries and Territories, Territories Sui Generis, The Hague: Kluwer Law International 2011, p. 144-145; D. Kochenov, ‘The EU and the Overseas: Outermost Regions, Overseas Countries and Territories Associated with the Union, and Territories Sui Generis’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the Overseas: Outermost Regions, Associated Overseas Countries and Territories, Territories Sui, The Hague: Kluwer Law International 2011a, p. 13; J. Ziller, ‘The European Union and the Territorial Scope of the European Territories’, Victoria University Wellington Law Review 2007, nr. 38, p. 56. tot anderzijds minimale uitsluiting van het Unierecht (namelijk dat slechts Deel III, over de interne markt, niet van toepassing is).8xVgl. Ziller 2007, p. 56-57.

      Deze bijdrage beoogt te bezien of het Unierecht door kan werken in de nationale rechtsordes van de LGO. Dit zal worden toegelicht aan de hand van één specifiek rechtsgebied, namelijk het nationaliteitsrecht. Als voorbeeld staat centraal de Arubaanse rechtsorde, maar de in dit artikel verdedigde stellingen kunnen in principe eveneens gelden voor andere LGO, indien het nationaliteitsrecht voor de gehele lidstaat (inclusief de LGO) eenvormig is geregeld. Dat is in elk geval voor Frankrijk het geval,9xZie D. Kochenov, ‘EU Citizenship in the Overseas’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the overseas: outermost regions, associated overseas countries and territories, territories sui generis, The Hague: Kluwer Law International 2011b, p. 208. alsmede voor de rechtsordes (en rechters) van Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hetgeen in dit artikel wordt verdedigd leent zich wellicht tevens voor een analoge toepassing voor de doorwerking van het Europees recht in andere rechtsgebieden in de LGO. Deze bredere discussie blijft evenwel buiten het bestek van deze bijdrage.

      Hierna zal allereerst worden ingegaan op het onderscheid tussen de territoriale en de personele werkingssfeer van het Europees recht. Daarna wordt de bijzondere wijze van invulling van het nationaliteitsrecht binnen het Koninkrijk der Nederlanden geschetst, waarbij tevens aandacht zal worden besteed aan de mogelijke gevolgen hiervan voor de toepasselijkheid van het Europees recht. Ten slotte worden enige opmerkingen geplaatst over de gevolgen hiervan op de rechtsordes van de LGO.

    • 2. Personaliteit van Europees burgerschap

      Een tekstuele lezing van de Europese Verdragen geeft de indruk dat voor de LGO het Unierecht slechts geldig is voor zover daarover bijzondere afspraken zijn gemaakt (vgl. art. 355 lid 2 VWEU).10xZie D. Kochenov, ‘The Impact of European Citizenship on the Association of the Overseas Countries and Territories with the European Community’, Legal Issues of Economic Integration 2009, nr. 3, p. 239-240. Verschillende auteurs verdedigen echter het standpunt dat de bepalingen van de Unieverdragen twee verschillende werkingssferen kunnen hebben. Artikel 355 lid 2 VWEU vertegenwoordigt in dit opzicht slechts de regel met betrekking tot de territoriale werkingssfeer van de Europese Verdragen.11xZie bijv. Kochenov 2009, p. 243.

      Volgens Kochenov dient sedert de introductie van het Europees burgerschap een onderscheid te worden gemaakt tussen de werkingssfeer ratione loci en de werkingssfeer ratione personae van de Europese Verdragsbepalingen.12xKochenov 2009, p. 240. Zie ook Raad van State, Voorlichting overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State over de verhouding van de Nederlandse Antillen en Aruba tot de Europese Unie (Bijlage bij het Jaarverslag 2003 van de Raad van State), zaak W04.03.0203/I/A, 2003, par. 3. De territoriale werking van Europese Verdragsbepalingen in de LGO vloeit voort uit het hiervoor aangehaalde artikel 355 lid 2 VWEU, en is, aldus Kochenov, bevestigd door het Hof van Justitie in Luxemburg in onder meer de zaak Leplat.13xHvJ EG 12 februari 1992, zaak C-260/90, Jur. 1992, p. I-643, par. 10 (Bernand Leplat tegen Territorium van Frans-Polynesië). Zie Kochenov 2009, p. 239-240. Hierdoor werken de Europese Verdragsbepalingen die afhankelijk zijn gesteld van het territoir van de Europese Unie verschillend in de LGO.14xKochenov 2011b, p. 201. Daartegenover ligt de personele werking van het Unierecht, welke voortkomt uit het – door het Verdrag van Maastricht in het leven geroepen – Europees burgerschap. Kochenov stelt namelijk dat het Europees burgerschap op grond van artikel 17 van het EG-Verdrag (nu art. 20 VWEU) slechts afhankelijk is gesteld van het bezit van de nationaliteit van een lidstaat. Het Europees burgerschap kent derhalve geen ‘territorial logic’, en dient volgens Kochenov ook niet te worden onderworpen aan de regel van artikel 355 VWEU.15xKochenov 2009, p. 240.

      Het verschil tussen de territoriale en de personele werkingssfeer van het Unierecht kan het best worden geïllustreerd aan de hand van de EU-burgerschapsrechten. Artikel 20 lid 2 aanhef en onder a VWEU verbindt bijvoorbeeld aan het Europees burgerschap het recht om zich vrijelijk te bewegen en te verblijven binnen het territoir van de Europese Unie.16xArt. 20 lid 2 aanhef en onder a VWEU: ‘De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, (…) a) het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.’ De invulling van dit recht door de territoriale werking leidt ertoe dat Europese burgers dit recht in beginsel niet uit kunnen oefenen om zich te verplaatsen naar en te verblijven in de LGO. De inkleuring van dit recht door de personele werkingssfeer betekent echter dat alle Europese burgers, ook diegenen die in een LGO verblijven, het recht op vrij verkeer van persoon kan uitoefenen.17xZie Kochenov 2009, p. 249-250; Kochenov 2011b, p. 212. Dit onderscheid blijkt ook uit de Eman en Sevinger-zaak: enerzijds zijn lidstaten niet verplicht om verkiezingen voor het Europees parlement in de LGO te houden,18xHvJ EG 12 september 2006, zaak C-300/04, Jur. 2006, p. I-8055, par. 47 (M.G. Eman en O.B. Sevinger tegen College van burgemeester en wethouders van Den Haag). Zie ook Kochenov 2011b, p. 216. en anderzijds hebben ook Europese burgers die in de LGO woonplaats hebben of verblijven de rechten verbonden aan het Europees burgerschap.19xHvJ EG 12 september 2006, zaak C-300/04, Jur. 2006, p. I-8055, par. 29.

      Voor het nationaliteitsrecht en het Europees burgerschap op zich maakt het bovenstaand onderscheid weinig verschil. Artikel 20 lid 1 VWEU verbindt namelijk het bezit van de staat van Europees burger slechts aan het bezit van de nationaliteit van een lidstaat. Dit artikellid kent, aldus Kochenov, geen werkingssfeer ratione loci.20xZie Kochenov 2011b, p. 204. Het Europees burgerschap werkt derhalve, vanwege zijn werking ratione personae, ook voor burgers van lidstaten die in de LGO verblijven in volle omvang.21xVgl. Ziller 2007, p. 54. In die zin ook reeds G.R. de Groot, ‘Aruba, de Europese Gemeenschap en het nationaliteitsrecht’, in: G.F.M. Bossers, A.R.O. Ringeling & M. Tratnik (red.), Cinco aña na caminda, Opstellen aangeboden ter gelegenheid van het eerste lustrum van de (Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de) Universiteit van Aruba (Lustrumbundel Universiteit van Aruba), Oranjestad: Universiteit van Aruba 1993, p. 43-48.

    • 3. Homogeniteit van het Nederlanderschap

      Naast de personele werking van artikel 20 VWEU is er een tweede reden waarom het EU-recht met betrekking tot nationaliteit en Europees burgerschap in Aruba (en andere LGO) zijn werking kan vinden. Dit hangt samen met de wijze waarop de Nederlandse nationaliteit in elkaar zit.

      Staten zijn, naar internationaal recht, in beginsel vrij om de wijze van verkrijging en verlies van hun nationaliteit te regelen.22xZie Dörr 2008; Jessurun d’Oliveira 2010, p. 1028. Nederland was derhalve volledig vrij om – naar voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk – verschillende gradaties van Nederlanderschap in het leven te roepen.23xIn het verleden kende het Koninkrijk een dergelijk hiërarchie van de Nederlandse ‘nationaliteit’, namelijk naast het Nederlanderschap het Nederlands onderdaanschap niet-Nederlanderschap. Deze laatste categorie is echter voor het huidige Koninkrijk afgeschaft in 1962 en was eerder in 1951 beperkt tot het grondgebied van Nederlands Nieuw-Guinea. Zie hierover verder G.R. de Groot & M. Tratnik, Nederlands Nationaliteitsrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 47-48. De Rijkswetgever heeft echter gekozen voor één Nederlanderschap voor het gehele Koninkrijk. De Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) luidt – kleine details daargelaten – gelijk voor alle delen van het Koninkrijk. Het gelijkheidsbeginsel pleit derhalve voor een eenvormige toepassing van de bepalingen van de RWN.

      De directe werking en voorrang van het Europees recht in het Europees deel van het Koninkrijk betekent dat regels van Europees recht op het gebied van het Europees burgerschap gevolgen zullen hebben voor het Nederlanderschap in Nederland. Echter, omdat het Nederlanderschap bij Rijkswet op gelijke wijze is geregeld voor het gehele Koninkrijk, impliceert dit ook dat gevolgen voor het Nederlanderschap in het Europees deel van het Koninkrijk ook doordringen in het Caribisch deel van het Koninkrijk.

    • 4. Gevolgen van doorwerking

      Het bovenstaande leidt tot de onmiskenbare conclusie dat de regels met betrekking tot het Europees burgerschap doorwerken in de Arubaanse rechtsorde (hetzij vanwege de personele werking van het Europees burgerschap, hetzij op indirecte wijze vanwege de RWN). De vraag moet worden gesteld en beantwoord welke gevolgen deze redenering heeft.

      Ten eerste betekent het bovenstaande dat het Europees burgerschap en de Europese regels en normen daaromtrent deel vormen van de Arubaanse rechtsorde. Voor zover de Arubaanse overheid handelt op een rechtsgebied dat door dit Europees recht wordt geraakt, dient deze hiermee rekening te houden. Dit betekent tevens dat Arubaanse rechters, geconfronteerd met vraagstukken waarbij het Europees recht in het geding komt, het ‘Arubaans’ recht conform het Europees recht dienen te interpreteren. Indien verdragsconforme interpretatie onmogelijk is, dienen de Arubaanse rechters het Arubaans recht opzij te zetten.

      Verder betekent het bovenstaande dat de Arubaanse rechters, geconfronteerd met onduidelijkheden wat betreft de interpretatie van het Europees burgerschap, toegang hebben tot het Europees Hof in Luxemburg. Hoewel de territoriale werking van het Unierecht – en in het bijzonder artikel 355 lid 2 VWEU – in de weg van een prejudiciële vraag lijkt te staan, hebben in dergelijke gevallen ook rechterlijke instanties van de LGO toegang tot het Europees Hof van Justitie.

      Volgens Kochenov vloeit deze conclusie voort uit de personele werking van het Europees burgerschap.24xZie Kochenov 2011a, p. 51-53. Zonder de toepasselijkheid van institutionele bepalingen zou het Europees burgerschap een tandeloze tijger worden. Ziller gaat zelfs verder door te stellen dat artikel 355 lid 2 VWEU slechts ziet op Deel III van de VWEU. Volgens hem zijn de overige verdragsbepalingen, inclusief de institutionele bepalingen, onverkort van toepassing in de LGO.25xZiller 2007, p. 56-57.

      In dit verband wijst Broberg op drie vereisten waaraan rechterlijke instanties in de LGO moeten voldoen om toegang te hebben tot het Hof in Luxemburg. Ten eerste moet de desbetreffende instantie een rechterlijke instantie zijn in de zin van artikel 267 VWEU. Ten tweede moet deze instantie een rechterlijke instantie van een lidstaat zijn. Ten slotte moet de prejudiciële vraag, kort gezegd, een vraag over het ‘Europees recht’ zijn.26xZie Broberg 2011, p. 138. Op het gebied van het nationaliteitsrecht is duidelijk dat Arubaanse rechters aan deze vereisten voldoen. Er kan namelijk geen twijfel bestaan over het rechterlijke ‘karakter’ van Arubaanse rechters bij de toepassing van de RWN, noch over het feit dat zij rechterlijke instanties zijn van een lidstaat, namelijk van het Koninkrijk.27xVgl. HvJ EG 12 december 1990, gevoegde zaken C-100/89 en C-101/89, Jur. 1990, p. I-4647 (Peter Kaefer en Andréa Procacci tegen Franse Staat). Voor dit standpunt pleit het feit dat rechtsmiddelen in verband met zowel naturalisatiebesluiten op grond van art. 8 RWN als vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 RWN eindigen bij Nederlandse rechterlijke instanties als laatste instantie (de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State respectievelijk de Hoge Raad). Gezien hetgeen hiervóór in dit artikel is bepleit kan tevens geconcludeerd worden dat ook aan het derde vereiste is voldaan.

      De bevoegdheid van een LGO om prejudiciële vragen te stellen vindt ook steun bij het Europees Hof. In Kaefer en Procacci oordeelde het Hof dat ‘niet wordt betwist dat het Tribunal administratif de Papeete een Franse rechterlijke instantie is’, en dat derhalve dit Tribunal bevoegd is om prejudiciële vragen te stellen aan het Luxemburgse Hof.28xHvJ EG 12 december 1990, gevoegde zaken C-100/89 en C-101/89, Jur. 1990, p. I-4647, par. 8. Het Hof oordeelde in dit verband tevens dat art. 176 Besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1986 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap gezien moest worden als uitwerking van de bevoegdheid van de Raad om bepalingen vast te stellen die in de LGO werking hebben. Zoals hierboven reeds is verdedigd heeft art. 20 VWEU ook werking in de LGO. De redenering geldt, mijns inziens, op dezelfde wijze voor de Arubaanse rechters, in het kader van de toepassing van de RWN. De bevoegdheid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie vloeit namelijk voort uit artikel 17 RWN. Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, in zijn hoedanigheid van bestuursrechter in gevallen van beroep tegen een beslissing van de Gouverneur van Aruba in optiezaken, ontleent ook zijn bevoegdheid – indirect – aan de RWN.29xZie GEA Aruba 11 januari 2012, ECLI:NL:OGEAA:2012:BV3059, LAR 2011, nr. 2275, par. 4.1-4.8. De Arubaanse rechters, alsmede de Hoge Raad, optredende als cassatierechter in het licht van artikel 18 lid 2 RWN, fungeren in dat geval als ‘rechters van het Koninkrijk der Nederlanden’.

    • 5. Conclusie

      De Europese Unie is een zeer bijzondere internationale organisatie. Zelfs vijftig jaar na de uitspraak van het Europees Hof in Van Gend & Loos30xHvJ EG 5 februari 1963, zaak 26/62, Jur. 1963, p. 3 (Van Gend en Loos tegen Nederlandse Administratie der Belastingen). zijn er nog punten van de Europese rechtsorde die nader licht nodig hebben.

      Aan de hand van twee argumenten – de werkingssfeer ratione personae van het Europees burgerschap en de specifieke wijze waarop de RWN het Nederlanderschap regelt – is aangetoond dat het Europees burgerschap de Arubaanse rechtsorde raakt (en zelfs beïnvloedt). Deze doorwerking betekent niet alleen dat de Arubaanse overheid en rechters rekening zullen moeten houden met het Europees recht, maar tevens dat de Arubaanse rechters op het gebied van het nationaliteitsrecht bevoegd zijn om prejudiciële vragen te stellen bij het Europees Hof.

      De gevolgen van dit pleidooi mogen niet worden onderschat. Verschillende auteurs wijzen op het feit dat het Europees recht – in het bijzonder in het licht van de Rottmann-zaak – grote gevolgen zal hebben voor de vrijheid waarmee lidstaten hun nationaliteitskwesties kunnen regelen.31xZie De Groot 2010, p. 299-300; De Groot & Luk 2014, p. 829-830; De Groot & Seling 2011, p. 155-159; S. Mantu, ‘Case C-135/08 Janko Rottmann v Freistaat Bayern. The End of Nationality Legislation as We Know It?’, Journal of Immigration, Asylum and Nationality Law 2010, nr. 2, p. 190-191; Shaw 2011, in het bijzonder Davies 2011, p. 8 en M. Dougan, ‘Some Comments on Rottmann and the “personal circumstances” assessment in the Union citizenship case law’, in: Shaw 2011, p. 17. Doorwerking van het Europees recht in het ‘Arubaanse’ nationaliteitsrecht betekent dat ook de Arubaanse autoriteiten rekening moeten houden met een fundamentele wijziging van de wijze waarop zij het Nederlanderschap dienen te behandelen.

      De doorwerking van het Europees recht in de rechtsordes van de LGO speelt uiteindelijk breder dan hiervoor is geschetst. De argumenten in deze bijdrage lenen zich daarbij voor analoge toepassing. Daarbij is essentieel dat, ten eerste, bepalingen van Europees recht een personele werking hebben, die niet volledig wordt beperkt door de territoriale werkingssfeer zoals bij vergelijkbare bepalingen. Het ‘nationale’ rechtsgebied binnen het Koninkrijk dient tevens zo veel mogelijk op eenvormige wijze te zijn geregeld. Hoewel voor het Nederlanderschap deze homogeniteit direct voortvloeit uit het Statuut, is het denkbaar dat men de doorwerking van Europees recht op andere rechtsgebieden verdedigt aan de hand van, bijvoorbeeld, het concordantiebeginsel. Wellicht vormt deze bijdrage stof tot nadenken en een aanzet tot deze bredere discussie.

    Noten

    • * Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit de niet gepubliceerde masterscriptie geschreven ter afronding van de master Arubaans recht aan de Universiteit van Aruba. De auteur bedankt prof. mr. G.R. de Groot voor zijn opmerkingen. Voor de inhoud van dit artikel blijft de auteur volledig verantwoordelijk.
    • 1 Met de Europese Verdragen wordt bedoeld het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

    • 2 Zie bijv. O. Dörr, ‘Nationality’, in: R. Wolfrum (red.), The Max Planck Encyclopedia of Public International Law, Oxford: Oxford University Press 2008, nr. 5.

    • 3 Zie Verklaring nr. 2 bij het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de nationaliteit van een Lid-Staat. Het is overigens opmerkelijk en wellicht ook een teken aan de wand, dat deze verklaring niet meer is opgenomen als bijlage van de Europese Verdragen, zoals deze werden geconsolideerd na de totstandkoming van het Verdrag van Lissabon.

    • 4 HvJ EU 2 maart 2010, zaak C-135/08, Jur. 2010, p. I-1449 (Janko Rottmann tegen Freistaat Bayern).

    • 5 Zie daarover G.R. de Groot, ‘Overwegingen over de Janko Rottmann-beslissing van het Europese Hof van Justitie’, Asiel- en Migratierecht 2010, nr. 5/6, p. 293-300; G.T. Davies, ‘The entirely conventional supremacy of Union citizenship and rights’, in: J. Shaw (red.), Has the European Court of Justice Challenged Member State Sovereignty in Nationality Law?, Florence: European University Institute 2011, p. 5-9; N.C. Luk, Het Nederlanderschap na Rottmann. Over de gevolgen van Janko Rottmann v. Freistaat Bayern voor de verliesbepalingen van de Rijkswet op het Nederlanderschap (masterscriptie Universiteit van Aruba, niet gepubliceerd).

    • 6 Zie daarover G.R. de Groot & N.C. Luk, ‘Twenty Years of CJEU Jurisprudence on Citizenship’, German Law Journal 2014, nr 5, p. 821-834; G.R. de Groot & A. Seling, ‘The Consequence of the Rottmann Judgment on Member State Autonomy – The European Court of Justice’s Avant-Gardism in Nationality Matters’, European Constitutional Law Review 2011, nr. 1, p. 150-160; H.U. Jessurun d’Oliveira, ‘Ontkoppeling van nationaliteit en Unieburgerschap? Opmerkingen over de Rottmann-zaak’, Nederlands Juristenblad 2010, nr. 16, p. 1028-1033; D. Kochenov, ‘Case C-135/08, Janko Rottmann v. Freistaat Bayern, Judgment of the Court (Grand Chamber) of 2 March 2010’, Common Market Law Review 2010, nr. 6, p. 1831-1846; Luk 2012, p. 18-25; J. Shaw (red.), Has the European Court of Justice Challenged Member State Sovereignty in Nationality Law?, Florence: European University Institute 2011.

    • 7 Vgl. M. Broberg, ‘Access to the European Court of Justice by Courts in Overseas Countries and Territories’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the Overseas: Outermost Regions, Associated Overseas Countries and Territories, Territories Sui Generis, The Hague: Kluwer Law International 2011, p. 144-145; D. Kochenov, ‘The EU and the Overseas: Outermost Regions, Overseas Countries and Territories Associated with the Union, and Territories Sui Generis’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the Overseas: Outermost Regions, Associated Overseas Countries and Territories, Territories Sui, The Hague: Kluwer Law International 2011a, p. 13; J. Ziller, ‘The European Union and the Territorial Scope of the European Territories’, Victoria University Wellington Law Review 2007, nr. 38, p. 56.

    • 8 Vgl. Ziller 2007, p. 56-57.

    • 9 Zie D. Kochenov, ‘EU Citizenship in the Overseas’, in: D. Kochenov (red.), EU Law of the overseas: outermost regions, associated overseas countries and territories, territories sui generis, The Hague: Kluwer Law International 2011b, p. 208.

    • 10 Zie D. Kochenov, ‘The Impact of European Citizenship on the Association of the Overseas Countries and Territories with the European Community’, Legal Issues of Economic Integration 2009, nr. 3, p. 239-240.

    • 11 Zie bijv. Kochenov 2009, p. 243.

    • 12 Kochenov 2009, p. 240. Zie ook Raad van State, Voorlichting overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State over de verhouding van de Nederlandse Antillen en Aruba tot de Europese Unie (Bijlage bij het Jaarverslag 2003 van de Raad van State), zaak W04.03.0203/I/A, 2003, par. 3.

    • 13 HvJ EG 12 februari 1992, zaak C-260/90, Jur. 1992, p. I-643, par. 10 (Bernand Leplat tegen Territorium van Frans-Polynesië). Zie Kochenov 2009, p. 239-240.

    • 14 Kochenov 2011b, p. 201.

    • 15 Kochenov 2009, p. 240.

    • 16 Art. 20 lid 2 aanhef en onder a VWEU: ‘De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, (…) a) het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.’

    • 17 Zie Kochenov 2009, p. 249-250; Kochenov 2011b, p. 212.

    • 18 HvJ EG 12 september 2006, zaak C-300/04, Jur. 2006, p. I-8055, par. 47 (M.G. Eman en O.B. Sevinger tegen College van burgemeester en wethouders van Den Haag). Zie ook Kochenov 2011b, p. 216.

    • 19 HvJ EG 12 september 2006, zaak C-300/04, Jur. 2006, p. I-8055, par. 29.

    • 20 Zie Kochenov 2011b, p. 204.

    • 21 Vgl. Ziller 2007, p. 54. In die zin ook reeds G.R. de Groot, ‘Aruba, de Europese Gemeenschap en het nationaliteitsrecht’, in: G.F.M. Bossers, A.R.O. Ringeling & M. Tratnik (red.), Cinco aña na caminda, Opstellen aangeboden ter gelegenheid van het eerste lustrum van de (Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de) Universiteit van Aruba (Lustrumbundel Universiteit van Aruba), Oranjestad: Universiteit van Aruba 1993, p. 43-48.

    • 22 Zie Dörr 2008; Jessurun d’Oliveira 2010, p. 1028.

    • 23 In het verleden kende het Koninkrijk een dergelijk hiërarchie van de Nederlandse ‘nationaliteit’, namelijk naast het Nederlanderschap het Nederlands onderdaanschap niet-Nederlanderschap. Deze laatste categorie is echter voor het huidige Koninkrijk afgeschaft in 1962 en was eerder in 1951 beperkt tot het grondgebied van Nederlands Nieuw-Guinea. Zie hierover verder G.R. de Groot & M. Tratnik, Nederlands Nationaliteitsrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 47-48.

    • 24 Zie Kochenov 2011a, p. 51-53.

    • 25 Ziller 2007, p. 56-57.

    • 26 Zie Broberg 2011, p. 138.

    • 27 Vgl. HvJ EG 12 december 1990, gevoegde zaken C-100/89 en C-101/89, Jur. 1990, p. I-4647 (Peter Kaefer en Andréa Procacci tegen Franse Staat). Voor dit standpunt pleit het feit dat rechtsmiddelen in verband met zowel naturalisatiebesluiten op grond van art. 8 RWN als vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 RWN eindigen bij Nederlandse rechterlijke instanties als laatste instantie (de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State respectievelijk de Hoge Raad).

    • 28 HvJ EG 12 december 1990, gevoegde zaken C-100/89 en C-101/89, Jur. 1990, p. I-4647, par. 8. Het Hof oordeelde in dit verband tevens dat art. 176 Besluit 86/283/EEG van de Raad van 30 juni 1986 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap gezien moest worden als uitwerking van de bevoegdheid van de Raad om bepalingen vast te stellen die in de LGO werking hebben. Zoals hierboven reeds is verdedigd heeft art. 20 VWEU ook werking in de LGO.

    • 29 Zie GEA Aruba 11 januari 2012, ECLI:NL:OGEAA:2012:BV3059, LAR 2011, nr. 2275, par. 4.1-4.8.

    • 30 HvJ EG 5 februari 1963, zaak 26/62, Jur. 1963, p. 3 (Van Gend en Loos tegen Nederlandse Administratie der Belastingen).

    • 31 Zie De Groot 2010, p. 299-300; De Groot & Luk 2014, p. 829-830; De Groot & Seling 2011, p. 155-159; S. Mantu, ‘Case C-135/08 Janko Rottmann v Freistaat Bayern. The End of Nationality Legislation as We Know It?’, Journal of Immigration, Asylum and Nationality Law 2010, nr. 2, p. 190-191; Shaw 2011, in het bijzonder Davies 2011, p. 8 en M. Dougan, ‘Some Comments on Rottmann and the “personal circumstances” assessment in the Union citizenship case law’, in: Shaw 2011, p. 17.

Reageer

Uw reactie