De rechten en plichten van de erfgenaam die met een legaat is belast

DOI: 10.5553/TE/187416812018019006004
Artikel

De rechten en plichten van de erfgenaam die met een legaat is belast

Trefwoorden legaat, legitieme portie, inbreng, keuzelegaat, verjaring
Auteurs
DOI
Bron
Open_access_icon_oaa
  • Toon PDF
  • Toon volledige grootte
  • Auteursinformatie

    Mr. F.W. Brans

    Mw. mr. F.W. Brans is senior jurist bij AD Advocaten te Amsterdam.

    Mr. Ph.A.J. Raaijmaakers

    Mr. Ph.A.J. Raaijmaakers is advocaat bij AD Advocaten te Amsterdam.

  • Statistiek

    Dit artikel is keer geraadpleegd.

    Dit artikel is 0 keer gedownload.

  • Citeerwijze

    Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel

    Mr. F.W. Brans en Mr. Ph.A.J. Raaijmaakers, 'De rechten en plichten van de erfgenaam die met een legaat is belast', TE 2018-6, p. 174-179

    Download RIS Download BibTex

    • 1 Inleiding

      Het komt regelmatig voor dat in een testament een legaat staat opgenomen. In dit artikel onderzoeken wij de status van het legaat bij de afwikkeling van de nalatenschap en met welke ‘valkuilen’ de erfgenaam rekening moet houden wanneer hij met een legaat in een testament wordt geconfronteerd. Dit artikel ziet op de meest voorkomende situatie dat een erfgenaam c.q. meerdere erfgenamen met afgifte van een legaat aan de legataris zijn belast. Het legaat kent vele toepassingsmogelijkheden.1x G.G.B. Boelens, Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht (Ars Notariatus 161), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 6. In dit artikel gaan wij uit van een legaat van een tot de nalatenschap van de erflater toebehorend goed. Speciale aandacht zal daarbij worden besteed aan het (keuze)legaat tegen inbreng (van waarde); deze rechtsfiguur is in het huidige erfrecht noch in het oude erfrecht afzonderlijk geregeld.2x W.D. Kolkman, Schulden der nalatenschap (Ars Notariatus 132), Deventer: Kluwer 2006, p. 138 e.v. Bij een (keuze)legaat tegen inbreng (van waarde) wordt aan de legataris, ofwel de ontvanger van het legaat, de verplichting opgelegd om de waarde van het hem gelegateerde aan de nalatenschap te voldoen.3x Boelens, Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht, p. 180.

      De eerste vraag die zich opdringt, is op welke wijze de waarde van een legaat wordt bepaald en of het voor een erfgenaam mogelijk is om deze waarde op enigerlei wijze zelf te beïnvloeden. Eveneens wordt de positie van de legitimaris-erfgenaam in ogenschouw genomen. Legitimarissen zijn afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden geroepen (art. 4:63 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Een legitimaris heeft krachtens de wet recht op zijn legitieme portie (kindsdeel). Een legataris heeft krachtens het testament recht op zijn legaat. Nagegaan wordt of een legaatconstructie er ten faveure van de legataris toe kan leiden dat de legitieme portie van een legitimaris-erfgenaam wordt aangetast. Wij kwamen op deze gedachte door de publicatie van het artikel ‘Legitieme moet wijken voor legaat’.4x A.J.H. Pleysier, Legitieme moet wijken voor legaat, Juridische Berichten voor het Notariaat 2018/35. De situatie waarin de legitieme zou moeten wijken voor het legaat lijkt in strijd met artikel 4:63 lid 1 BW, nu de vrijheid van de erflater om over zijn nalatenschap te beschikken wordt beperkt door de legitieme portie waarop de legitimaris, in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater, aanspraak kan maken. Het is de vraag of de wet de legitimaris-erfgenaam in een dergelijke situatie bescherming biedt.

      Onderzocht wordt welke verplichtingen de erfgenaam jegens de legataris heeft indien hem door de erflater een legaat is opgelegd. Hoe ontstaat de verbintenis die de erfgenaam een verplichting oplegt en de legataris een vorderingsrecht geeft jegens de erfgenaam? Waartoe is de erfgenaam uit hoofde van deze verbintenis verplicht? Dit is met name van belang om te bepalen op welke wijze afgifte van het legaat aan de legataris dient plaats te vinden en in hoeverre de legataris, bij het niet nakomen van de verbintenis tot nakoming van het legaat, bescherming wordt geboden door de wet, en of de wet daarvoor over sanctiemogelijkheden beschikt.

      Omgekeerd onderzoeken wij welke bescherming de wet biedt aan de met het legaat belaste erfgenaam c.q. erfgenamen, wanneer de legataris de op hem rustende verplichtingen niet nakomt. Daarbij kan worden gedacht aan overschrijding door de legataris van de termijn die bij een legaat kan worden gesteld met betrekking tot de aanvaarding daarvan. Staat het de legataris na het verstrijken van deze termijn dan nog steeds vrij het legaat te aanvaarden of te verwerpen? In aansluiting daarop onderzoeken wij welke bescherming de erfgenaam wordt geboden indien bij legaat geen aanvaardingstermijn is gesteld en de legataris zich niet uitdrukkelijk uitspreekt over het wel of niet willen aanvaarden of verwerpen van het legaat. Dit speelt met name een rol wanneer er tussentijds een waardevermindering c.q. waardevermeerdering van het gelegateerde goed optreedt. Kan de erfgenaam bij waardevermindering van het gelegateerde goed zijn schade verhalen op de legataris indien de legataris het legaat na lang stilzitten uiteindelijk alsnog verwerpt? En kan de erfgenaam in geval van een (keuze)legaat tegen inbreng (van de waarde) bij waardevermeerdering van het gelegateerde goed en bij lang stilzitten door de legataris een hogere vergoeding c.q. hogere inbreng bij de afgifte van dat legaat aan de legataris vragen?

      Pas wanneer duidelijkheid bestaat over de rechten en plichten van de met het legaat belaste erfgenaam kan weloverwogen een keuze worden gemaakt tussen het al dan niet (beneficiair) aanvaarden van de nalatenschap,5x Art. 4:190 en 4:191 BW. Een verwerping van de nalatenschap moet geschieden bij verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis en moet in het boedelregister worden ingeschreven ex art. 4:191 lid 1 BW. dan wel het verwerpen van de nalatenschap (al dan niet onder het doen van een beroep op de legitieme portie).6x Art. 4:63 lid 3 BW (de ‘contantenverklaring’).

    • 2 Op welke wijze wordt de waarde van een legaat bepaald?

      2.1 Wat is een legaat?

      Het legaat is op grond van artikel 4:7 lid 1 sub h BW een schuld van de nalatenschap. Het legaat is geen schuld van de erflater, maar is een opdracht aan (een van) de erfgenamen tot voldoening naar rato van ieders erfdeel van de vordering (schuld) van de legataris op de nalatenschap. Omdat het legaat (in beginsel) géén schuld van de erflater is, kan een erfgenaam (in geval van zuivere aanvaarding van de nalatenschap) niet op grond van de ‘saisine’ van artikel 4:182 BW tot uitkering aan de legataris zijn gehouden.7x Zie Rb. Limburg 6 december 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:12053, onder r.o. 4.2 en Pleysier, Legitieme moet wijken voor legaat. Zie ook Rb. Amsterdam 16 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2337: ‘r.o. 5.5. In artikel 4:117 van het Burgerlijk Wetboek (BW), tweede en derde lid, is bepaald dat een legaat in beginsel ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komt en dat de erfgenamen ieder voor een deel, evenredig aan hun erfdeel, verbonden zijn. Als uitgangspunt geldt dat de stichtingen hun legaat op grond van artikel 4:184, eerste lid, BW op (de goederen van) de nalatenschap van [erflaatster] kunnen verhalen en – gelet op de zuivere aanvaarding van de erfenis door [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] – op grond van artikel 4:184 lid 2 BW (naar evenredigheid) ook op het overige vermogen van de erfgenamen.’ De grondslag van deze gehoudenheid is in dat geval artikel 4:117 jo. artikel 4:120 jo. artikel 4:184 BW, waarmee de legataris een rechtsvordering krijgt op de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen c.q. de executeur (art. 4:145 BW).

      2.2 Kan een legaat de facto leiden tot aantasting van de legitieme portie?

      Op grond van artikel 4:63 lid 1 BW is de legitieme portie van een legitimaris het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater waarop de legitimaris, in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater, aanspraak kan maken. Hiermee heeft de wetgever beoogd een gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater waarop de legitimaris aanspraak kan maken, voor de legitimaris veilig te stellen.8x Binnen de vervaltermijn van vijf jaar na overlijden erflater (art. 4:85 BW). Ondanks deze wettelijke bescherming van de legitimaris blijkt dat een legaat er de facto op verschillende manieren toe kan leiden dat de legitieme portie wordt aangetast. Het is echter de vraag of dit op gespannen voet staat met de bescherming die de wetgever aan de legitimaris biedt. Dit is volgens Kolkman – naar onze mening terecht – niet het geval, omdat de schuld uit het legaat ten laste komt van de erfgenaam q.q. in privé, na zuivere aanvaarding van een negatieve nalatenschap.9x Art. 4:184 BW. Dat deze erfgenaam ook legitimaris is, beschermt hem inderdaad niet tegen de legataris voor zover het verhaal op het eigen vermogen betreft bij deze negatieve nalatenschap. Ook de andere schulden van de nalatenschap moeten in dat geval uit privé worden voldaan en gaan dus in zoverre voor op de legitieme.

      Indien de nalatenschap in dit geval beneficiair zou zijn aanvaard, dan wordt juist voorkomen dat de schulden van de nalatenschap die op de erfgenaam rusten, ten laste van het overige vermogen van de erfgenaam moeten worden voldaan. Het is voor een beneficiair aanvaard hebbende erfgenaam mogelijk om een beroep te doen op zijn legitieme. Indien door het beroep op de legitieme de schuld uit het legaat niet meer kan worden voldaan uit de erfdelen, dan worden de legaten verminderd. Het beroep van de beneficiair aanvaard hebbende erfgenaam op de legitieme portie wordt daarmee gehonoreerd. Hetzelfde resultaat wordt bereikt indien wordt verworpen met een beroep op de contantenverklaring (art. 4:63 lid 3 BW), met dien verstande dat in dat geval al hetgeen krachtens erfrecht of legaat had kunnen worden verkregen op de legitieme in mindering wordt gebracht (art. 4:71 jo. art. 4:72 jo. art. 4:73 BW).

      Uit het voorgaande blijkt dat van het daadwerkelijk aantasten van de legitieme portie dus geen sprake is.

      In een aantal gevallen kan er de facto echter toch sprake zijn van een vermindering van de legitieme portie van de legitimaris-erfgenaam, zoals wanneer het legaat uit testament niet gekwalificeerd dient te worden als een schuld van de erfgenaam c.q. erfgenamen, maar als een schuld van de erflater. In dit verband kan worden verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch:10x Hof ’s-Hertogenbosch 22 december 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BL1117.

      ‘r.o. 4.4.6. (…)
      Aan het legaat ligt immers, zoals ook in het testament tot uitdrukking gebracht, de natuurlijke verbintenis van erflater jegens zijn partner (met wie hij meer dan 22 jaar heeft samengeleefd) ten grondslag. In zodanig geval strekt de testamentaire bepaling ertoe deze natuurlijke verbintenis om te zetten in een rechtens jegens de erfgenamen afdwingbare verbintenis vanaf het moment van overlijden van erflater. Dat vanwege de aard van deze verbintenis de betreffende schuld in het testament is geformuleerd in de vorm van een legaat neemt niet weg dat sprake is van een schuld waaraan erflater meende te moeten voldoen en aan welke schuld ook ten laste van de nalatenschap moet worden voldaan. Derhalve dient die schuld, als reeds bestaande tijdens het leven van erflater, in aanmerking te worden genomen bij het bepalen van de rechten van erfgenamen en legitimarissen.
      (…)’

      Uit dit arrest blijkt dat grote waarde wordt gehecht aan de uitleg van de uiterste wilsbeschikking.11x Art. 4:46 BW. In de regel is het zo, dat het legaat als schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub h BW bij de berekening van de legitieme portie buiten beschouwing blijft. In artikel 4:65 BW staat immers:

      ‘De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.
      (…)’

      Op de legitieme portie wordt de schuld uit legaat (art. 4:7 lid 1 sub h BW) dus niet in mindering gebracht. Het legaat verkleint dan ook niet de omvang van de legitieme portie. In voornoemde zaak heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch echter geoordeeld dat de schuld, niettegenstaande de formulering in de vorm van een legaat, moest worden gekwalificeerd als een natuurlijke verbintenis (schuld van de erflater), zodat op grond van artikel 4:65 BW de legitieme portie met deze schuld wél moest worden verminderd. Derhalve is bepalend of sprake is van een schuld van de erflater (in dit geval uit hoofde van een natuurlijke verbintenis) of van een schuld van de erfgenaam c.q. erfgenamen (uit hoofde van een legaat). Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad waarin de vordering dat het legaat zou zijn gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis werd afgewezen, omdat niet werd voldaan aan de vereisten die aan een natuurlijke verbintenis gesteld worden. Dit ondanks het feit dat de executeur zelf in zijn testament had vermeld dat het legaat was gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis.12x HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6269.

      Eveneens kan de legitieme portie de facto worden verminderd op grond van artikel 4:120 lid 5 BW. Immers: een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, is met zijn gehele vermogen aansprakelijk en derhalve gehouden de legataris voor het geheel te voldoen. In beginsel blijft het legitieme deel, indien daarop een beroep is gedaan, buiten schot, tenzij blijkt dat er geen privévermogen is om het legaat uit te voldoen. In dat geval zal de legitimaris ook zijn legitieme deel, nadat dit onderdeel is geworden van zijn privévermogen, dienen aan te wenden om de legataris te voldoen.

      In dit verband vragen wij ons af of het ook mogelijk is om de legitieme portie van een legitimaris door middel van de legaatconstructie ‘uit te hollen’ indien in het testament wordt bepaald dat aan een onterfde legitimaris een legaat in geld wordt toegekend ter grootte van zijn legitieme portie ten laste van één bepaalde erfgenaam. In theorie heeft deze legataris de mogelijkheid om binnen drie maanden na het overlijden van de erflater het legaat als inferieur te verwerpen, indien blijkt dat het erfdeel van de belaste erfgenaam ontoereikend is om het legaat te voldoen (art. 4:73 lid 1 sub d BW). Deze termijn van drie maanden na het overlijden is onredelijk kort, nu een legataris (niet-erfgenaam) in beginsel geen inzage krijgt in het testament en derhalve niet op de hoogte is van de grootte van het betreffende erfdeel dat aan de belaste erfgenaam is toegekend.13x Met een verzoek aan de kantonrechter kan deze termijn van drie maanden op grond van art. 4:77 BW wegens bijzondere omstandigheden worden verlengd, zelfs nadat de termijn reeds is verlopen. Mocht dit erfdeel echter onvoldoende zijn en de belaste erfgenaam de nalatenschap verwerpen of beneficiair aanvaarden, dan komt het legaat te rusten op de voor hem in de plaats komende vervangende personen. Deze vervangende personen behoeven echter niet méér uit te keren dan het hun toekomende extra deel van de nalatenschap of de waarde daarvan en behoeven daarvoor dus niet uit eigen vermogen bij te passen (art. 4:118 lid 1 BW).14x Reinhartz, in: T&C Burgerlijk Wetboek 2018, art. 4:118 BW, aant. 2. Het is nu de vraag wat de waarde is van het legaat dat in het kader van de toerekening op de legitieme in de zin van artikel 4:73 BW in mindering moet worden gebracht; is dit de waarde van het legaat zelf of de waarde van hetgeen daadwerkelijk als legaat aan de legataris is uitgekeerd? Het eenvoudigweg volgen van de wet leidt ertoe dat de waarde van het legaat (in dit geval: de legitieme portie in plaats van hetgeen daadwerkelijk als legaat aan de legataris is uitgekeerd) zelf toegerekend dient te worden aan de legitieme, zodat er niets zou resteren en het voor de legataris gunstiger zou zijn geweest om het legaat binnen drie maanden na het overlijden van de erflater te verwerpen. Perrick stelt hiertoe dat de uitzondering van artikel 4:73 lid 1 sub d BW niet nodig zou zijn indien als waarde van het legaat bij de toerekening in aanmerking wordt genomen de waarde van het legaat na vermindering overeenkomstig artikel 4:120 BW. Perrick stelt zich hier op het standpunt dat de wetgever deze uitzondering had dienen te schrappen na (her)invoering van artikel 4:120 BW bij de Invoeringswet. Indien men onderdeel d als overbodig aanmerkt, behoeft het voorschrift dat de verwerping binnen drie maanden dient plaats te vinden geen probleem te vormen.15x Asser/Perrick 4 2017/325. Zie ook W.G. Huijgen, G.G.B. Boelens, B.E. Reinhartz & F. Sonneveldt, Compendium erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018/90. Ons inziens dient deze redenering eveneens te gelden met betrekking tot artikel 4:118 lid 1 BW, welke situatie er eveneens toe kan leiden dat de waarde van het legaat niet volledig wordt voldaan. Degene(n) aan wie het erfdeel van de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen toevalt, is (zijn) op grond van artikel 4:118 lid 1 BW immers slechts gehouden tot uitkering aan de legataris van hetgeen hij (zij) in de plaats van de belaste persoon uit de nalatenschap geniet(en), of van de waarde daarvan. Het antwoord op de vraag wat als waarde van het legaat op grond van artikel 4:73 lid 1 sub d BW bij de toerekening in aanmerking dient te worden genomen, is de waarde van hetgeen daadwerkelijk als legaat aan de legataris is uitgekeerd. Indien het legaat immers niet binnen drie maanden na overlijden zou zijn verworpen, zou anders de volledige waarde aan de legitieme portie worden toegerekend, ondanks dat deze niet volledig is ontvangen.

    • 3 Verbintenis tot nakoming van het legaat bestaande uit informatieplicht, feitelijke afgifte en juridische levering

      Door de testamentaire making van het legaat ontstaat voor de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen de verbintenis tot nakoming van het legaat. Tegelijkertijd verkrijgt de legataris een vorderingsrecht op de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen tot nakoming van het legaat (art. 4:117 lid 1 BW). Voor de totstandkoming van dit vorderingsrecht is geen aanvaarding nodig. Tenzij de erflater anders heeft bepaald of sprake is van een legaat van een geldsom in de zin van artikel 4:125 BW, is een legaat op grond van artikel 6:38 BW direct vanaf het moment van overlijden van de erflater opeisbaar en kan van de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen terstond nakoming worden gevorderd. Dit is dan ook het moment waarop de verjaringstermijn aanvangt. Dit neemt niet weg dat schuldeisers ingevolge artikel 4:185 BW geen verhaal hebben zolang nog niet door alle erfgenamen zuiver is aanvaard. Gedurende de wettelijke vereffening is ingevolge artikel 4:223 BW in beginsel evenmin verhaal mogelijk.

      Verder heeft de legataris vanaf de datum van overlijden het recht op de vruchten, tenzij ook hier sprake is van legaat van een geldsom dan wel de erflater iets anders heeft bepaald (art. 4:124 BW). Bij een legaat van aandelen betekent dit bijvoorbeeld dat als de erfgenamen in de periode tussen overlijden van de erflater en de levering van de aandelen aan de legataris vruchten (dividend) innen, zij deze moeten afstaan aan de legataris. De rechtsvordering tot uitkering van de vruchten verjaart ingevolge artikel 4:124 BW door verloop van drie jaren nadat zij zijn geïnd door de erfgenamen. Als een legaat pas na vijf jaren wordt afgegeven, heeft de legataris recht op de vruchten die in de laatste drie jaren zijn gegenereerd.16x Reinhartz, in: T&C Burgerlijk Wetboek 2018, art. 4:124 BW, aant. 2. Zie ook M.J. Hoogeveen, Legaat van ab-aandelen onder de Wet IB 2001 en het nieuwe erfrecht, Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2003/2138. De verwerping van een legaat moet op ondubbelzinnige wijze gebeuren, maar is aan geen vorm gebonden (art. 4:201 lid 3 BW). Doordat iemand een legaat verwerpt, vervalt het vorderingsrecht dat hij had jegens de erfgenamen of degenen waarvan de erflater had bepaald dat dezen de schuld uit het legaat moesten voldoen.17x Reinhartz, in: GS Erfrecht, art. 4:201 BW, aant. 1. Mocht inmiddels de waarde van het gelegateerde goed tussentijds zijn gedaald, dan is het de vraag of dit ten laste van de erfgenamen moet komen of dat de erfgenamen deze schade op de legataris kunnen verhalen. Hieronder komen wij op deze vraag terug.

      Een aanvaarding of verwerping van een legaat kan worden vernietigd op grond van dwaling of op grond van benadeling van één of meer schuldeisers. Dit in tegenstelling tot een aanvaarding of verwerping door een erfgenaam, die op grond van artikel 4:190 lid 4 BW niet kan worden vernietigd op grond van dwaling of op grond van benadeling van één of meer schuldeisers.

      Als een erfgenaam door de erflater een legaat is opgelegd, dan is die erfgenaam c.q. de executeur op grond van artikel 4:119 BW verplicht om de legataris over het legaat te informeren. Immers, op grond van artikel 4:119 BW dragen degenen op wie een legaat rust, alsmede de executeur, ervoor zorg dat de legataris zo spoedig mogelijk over het legaat wordt geïnformeerd. In het kader van de vereffening rust op grond van artikel 4:211 BW eenzelfde verplichting op de vereffenaar. Desalniettemin blijven de erfgenamen aansprakelijk voor het voldoen van het legaat, en bij zuivere aanvaarding ook met het privévermogen, zelfs indien naderhand blijkt dat de executeur onzorgvuldig heeft gehandeld door bijvoorbeeld de legaten niet uit te betalen. De erfgenamen kunnen zich dan niet disculperen door een beroep te doen op het feit dat de erflater de executeur heeft benoemd en zijzelf nergens van op de hoogte waren.18x Rb. Amsterdam 6 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2337. Wel kunnen de erfgenamen de executeur aansprakelijk houden op grond van onrechtmatige daad voor eventuele schade als gevolg van dit onzorgvuldig handelen. Ingevolge artikel 4:211 BW geldt hetzelfde voor de vereffenaar.

      Bij legateren van een bepaalde zaak gaat de eigendom van die zaak niet van rechtswege op de legataris over.19x HR 11 mei 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AG4808 m.nt. W.M. Kleijn (Verhoeven/Peters). Dit is met name van belang voor het (keuze)legaat tegen inbreng (van de waarde). Een legaat geldt als een titel van levering van een bepaalde zaak of als een titel van vestiging van een bepaald zakelijk recht. Bestaat het legaat bijvoorbeeld uit de levering van een onroerende zaak, dan moet de levering ex artikel 3:84 lid 1 BW ten titel van dat legaat alsnog plaatsvinden voordat de eigendom van het goed overgaat op de legataris, en dient de waarde door de legataris te worden ingebracht.20x G.G.B. Boelens, Het legaat aan een erfgenaam: een gewoon legaat?, Tijdschrift Erfrecht 2017/1, p. 1-7. De vraag is dan ook of er gevolgen voor de inbreng zijn indien de waarde van de onroerende zaak vanaf het overlijden substantieel is gestegen of gedaald.

    • 4 Bescherming legataris bij toerekenbare tekortkoming van de verbintenis tot nakoming van het legaat

      Hiervoor hebben we gezien dat het legaat grote verplichtingen voor de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen met zich mee kan brengen. Dit temeer nu de erfgenamen door onrechtmatig handelen van de executeur of de vereffenaar jegens de legataris, door bijvoorbeeld de legataris niet te informeren of het legaat niet aan de legataris uit te keren, niet van hun verplichtingen uit het legaat worden ontslagen.

      Indien de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen een legataris niet informeren over het legaat, dan is het de vraag of dit kan leiden tot verjaring van het legaat ten faveure van de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen. Nu daarvoor in het erfrecht geen speciale termijn geldt, verjaart de vordering van de legataris op grond van artikel 3:306 BW door verloop van twintig jaar. Ingevolge artikel 3:313 BW gaat deze verjaringstermijn lopen vanaf het moment waarop de vordering opeisbaar is geworden, het moment van overlijden van de erflater. Artikel 3:321 lid 1 sub f BW biedt bescherming door het opzettelijk verborgen houden door de schuldenaar van het bestaan of de opeisbaarheid van een schuld te sanctioneren met een verlenging van de verjaringstermijn met zes maanden. In de parlementaire geschiedenis wordt het opzettelijk verzwijgen van een legaat voor de legataris expliciet genoemd als voorbeeld voor toepassing van deze verlengingsgrond. Mocht de legataris dus niet zijn geïnformeerd, dan heeft de legataris bij ontdekking van het niet-meegedeelde legaat nog zes maanden de tijd om zijn vorderingsrecht op te eisen.

      Voor het overige heeft de legataris in geval van toerekenbare tekortkoming van de verbintenis tot nakoming van het legaat de mogelijkheid zich te beroepen op de algemene regels van het BW en de daarbij behorende sanctiemogelijkheden.21x Zie hiervoor ook Boelens, Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht, waarin onder meer de civielrechtelijke aspecten van het legaat worden onderzocht.

    • 5 Wettelijke en testamentaire verplichtingen legataris

      De wet verbindt aan het aanvaarden van een legaat geen verplichtingen. Immers: de wet gaat ervan uit dat het legaat wordt aanvaard. Derhalve rust op de legataris geen wettelijke plicht zich binnen een bepaalde termijn uit te laten over het aanvaarden. Dit geldt overigens mutatis mutandis voor de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen om tot afgifte van het legaat te komen.

      Een erflater kan aan een legaat de verplichting verbinden het legaat binnen een bepaalde termijn te accepteren. Deze aan een legaat verbonden tijdsbepaling (bijvoorbeeld: aanvaarding dient te geschieden binnen een termijn van zes maanden) levert slechts een nadere omlijning (een aansporing) op van de termijn van aanvaarding.22x T.J. Mellema-Kranenburg, De consequenties van een aan een legaat verbonden tijdsbepaling, Juridische Berichten voor het Notariaat 2010/6 en HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7128. Dit geldt overigens mutatis mutandis voor de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen wanneer er een termijn tot afgifte aan de legataris staat vermeld.23x HR 27 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1374.

      Een aan een legaat verbonden tijdsbepaling is derhalve geen harde eis, maar kan dit wel zijn indien de testateur dit als zodanig heeft bepaald. Bovendien zal bij de uitleg van een aan het legaat verbonden verplichting mede dienen te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk dient te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 BW).24x Rb. Amsterdam 29 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2401.

      De kantonrechter kan op verzoek van een belanghebbende aan de legataris een termijn stellen waarbinnen deze moet verklaren of hij al dan niet verwerpt (art. 4:201 lid 2 BW). Bij gebreke van een verklaring binnen de gestelde termijn verliest de legataris de bevoegdheid om te verwerpen. In tegenstelling tot de hierboven genoemde testamentaire aansporingstermijnen betreft het hier derhalve wel een fatale termijn.

    • 6 Verhaalsrecht erfgenaam op legataris

      Meerdere malen is door de Hoge Raad bepaald dat bij een keuzelegaat als uitgangspunt voor de vaststelling van de inbrengwaarde van een gelegateerd goed in beginsel de datum van overlijden van de erflater geldt. De derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan er echter toe leiden dat van deze regel wordt afgeweken. Deze redelijkheid en billijkheid behoeven niet uitsluitend te zien op verwijtbare gedragingen van de legataris, maar kunnen ook zijn gelegen in omstandigheden die niet aan de legataris te verwijten zijn. Zo ook HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8521, waarbij de omstandigheden (legataris heeft woning om niet in gebruik gehad, terwijl de afgifte van het legaat nog niet is geëffectueerd en zij dus ook de waarde nog niet heeft ingebracht) meebrachten dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid was om de inbrengwaarde van het huis vast te stellen op de waarde per datum overlijden van de erflater. Hiermee is komen vast te staan dat in dit geval de eventuele meerwaarde van het huis (waardevermeerdering van het gelegateerde goed) ten goede komt aan de nalatenschap.

      Het is bij waardevermindering van het gelegateerde goed bij keuzelegaat tegen inbreng van de waarde nog maar de vraag voor wiens rekening deze komt. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van de toerekenbare verwijtbaarheid van de partijen. De belaste erfgenaam c.q. erfgenamen kunnen echter, om hun rechten zo veilig mogelijk te stellen, in een vroeg stadium een verzoek doen tot het stellen van een termijn aan de legataris (art. 4:201 lid 2 BW). Dit om oplopende kosten en een eventuele waardevermindering te voorkomen. Mocht immers een substantiële waardevermindering optreden, dan zal de legataris ervoor kiezen het keuzelegaat alsnog te verwerpen, met als gevolg dat de waardevermindering voor rekening van de nalatenschap komt. Mocht de legataris, nadat een termijn is gesteld, niet meewerken aan de levering, dan kan de legataris ons inziens met succes voor eventuele schade aansprakelijk worden gesteld. Vereist voor het kunnen toerekenen van een eventuele waardevermindering van het legaat is dat er een ingebrekestelling is uitgebracht.

    • 7 Conclusie

      Met het toekennen van een legaat wordt een verbintenis gecreëerd tussen degenen die met het legaat zijn belast en de legataris. De legataris verkrijgt een vorderingsrecht op (meestal) de erfgenamen. Op deze rechtsverhouding zijn de algemene regels van het vermogensrecht van toepassing.
      Indien een erfgenaam met een legaat in het testament is belast, welk legaat ten koste gaat van het vrije deel van de nalatenschap, verdient het de voorkeur de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Dit om verhaal op het privévermogen uit te sluiten.

      Het is voor de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen risicovol om na te laten de legataris over het legaat te informeren. Het niet informeren is in dat geval verwijtbaar aan de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen, en de daaruit voortvloeiende schade verhaalbaar op deze belaste erfgenaam c.q. erfgenamen. Tevens zijn de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen jegens de legataris aansprakelijk indien de executeur, dan wel de vereffenaar, onzorgvuldig handelt door bijvoorbeeld de legataris niet te informeren of na te laten het legaat af te geven. De belaste erfgenaam c.q. erfgenamen zullen in een separate procedure de schade op hun beurt op de executeur c.q. de vereffenaar moeten verhalen, dan wel de executeur c.q. de vereffenaar in vrijwaring moeten oproepen. Indien sprake is van een (keuze)legaat tegen inbreng (van waarde) kan bij verwijtbaarheid als peildatum voor de waardebepaling van het legaat worden afgeweken van de overlijdensdatum, met mogelijke schade als gevolg. Er staan de belaste erfgenaam c.q. erfgenamen dan ook weinig mogelijkheden ten dienste om onder het legaat uit te komen.

      De legataris heeft een bijzondere positie. De legataris krijgt alle ruimte om rustig te bezien of tot verwerpen moet worden overgegaan, nu van aanvaarding van het legaat door de wet in beginsel reeds wordt uitgegaan. De legataris heeft daarentegen slechts een verbintenisrechtelijke aanspraak op de met het legaat belaste erfgenaam c.q. erfgenamen. De legataris loopt daardoor het risico dat een specifiek aan hem gelegateerd goed buiten hem om wordt vervreemd en, indien dit goed zuiver emotionele waarde heeft, dit niet aan de legataris kan worden gecompenseerd dan wel dat, na vervreemding van het goed, de waarde niet meer kan worden vastgesteld. Hierop staat immers geen wettelijke sanctie. Bovendien is opvallend dat de legataris-niet-erfgenaam geen inzage krijgt in het testament, maar enkel in de legaatstelling, de personen van de erfgenamen c.q. de executeursbenoeming c.q. de benoeming tot vereffenaar. Dit klemt temeer nu de legataris daardoor geen inzicht heeft c.q. krijgt in de omvang van de nalatenschap en de erfdelen van de erfgenamen. Dit maakt het voor de legataris vrijwel onmogelijk te anticiperen op de diverse termijnen die aan de legataris door de wet zijn opgelegd, bijvoorbeeld in geval van inferieure legaten (art. 4:73 BW) en de door de erfgenamen geïnde vruchten (art. 4:124 BW).

      Gezien de complexe materie is het voor de niet juridisch geschoolde belaste erfgenaam c.q. erfgenamen dan wel de legataris aan te raden juridische bijstand in te winnen.

    Noten

    • 1 G.G.B. Boelens, Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht (Ars Notariatus 161), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 6.

    • 2 W.D. Kolkman, Schulden der nalatenschap (Ars Notariatus 132), Deventer: Kluwer 2006, p. 138 e.v.

    • 3 Boelens, Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht, p. 180.

    • 4 A.J.H. Pleysier, Legitieme moet wijken voor legaat, Juridische Berichten voor het Notariaat 2018/35.

    • 5 Art. 4:190 en 4:191 BW. Een verwerping van de nalatenschap moet geschieden bij verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis en moet in het boedelregister worden ingeschreven ex art. 4:191 lid 1 BW.

    • 6 Art. 4:63 lid 3 BW (de ‘contantenverklaring’).

    • 7 Zie Rb. Limburg 6 december 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:12053, onder r.o. 4.2 en Pleysier, Legitieme moet wijken voor legaat. Zie ook Rb. Amsterdam 16 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2337: ‘r.o. 5.5. In artikel 4:117 van het Burgerlijk Wetboek (BW), tweede en derde lid, is bepaald dat een legaat in beginsel ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komt en dat de erfgenamen ieder voor een deel, evenredig aan hun erfdeel, verbonden zijn. Als uitgangspunt geldt dat de stichtingen hun legaat op grond van artikel 4:184, eerste lid, BW op (de goederen van) de nalatenschap van [erflaatster] kunnen verhalen en – gelet op de zuivere aanvaarding van de erfenis door [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] – op grond van artikel 4:184 lid 2 BW (naar evenredigheid) ook op het overige vermogen van de erfgenamen.’

    • 8 Binnen de vervaltermijn van vijf jaar na overlijden erflater (art. 4:85 BW).

    • 9 Art. 4:184 BW.

    • 10 Hof ’s-Hertogenbosch 22 december 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BL1117.

    • 11 Art. 4:46 BW.

    • 12 HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6269.

    • 13 Met een verzoek aan de kantonrechter kan deze termijn van drie maanden op grond van art. 4:77 BW wegens bijzondere omstandigheden worden verlengd, zelfs nadat de termijn reeds is verlopen.

    • 14 Reinhartz, in: T&C Burgerlijk Wetboek 2018, art. 4:118 BW, aant. 2.

    • 15 Asser/Perrick 4 2017/325. Zie ook W.G. Huijgen, G.G.B. Boelens, B.E. Reinhartz & F. Sonneveldt, Compendium erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018/90.

    • 16 Reinhartz, in: T&C Burgerlijk Wetboek 2018, art. 4:124 BW, aant. 2. Zie ook M.J. Hoogeveen, Legaat van ab-aandelen onder de Wet IB 2001 en het nieuwe erfrecht, Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2003/2138.

    • 17 Reinhartz, in: GS Erfrecht, art. 4:201 BW, aant. 1.

    • 18 Rb. Amsterdam 6 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2337.

    • 19 HR 11 mei 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AG4808 m.nt. W.M. Kleijn (Verhoeven/Peters).

    • 20 G.G.B. Boelens, Het legaat aan een erfgenaam: een gewoon legaat?, Tijdschrift Erfrecht 2017/1, p. 1-7.

    • 21 Zie hiervoor ook Boelens, Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht, waarin onder meer de civielrechtelijke aspecten van het legaat worden onderzocht.

    • 22 T.J. Mellema-Kranenburg, De consequenties van een aan een legaat verbonden tijdsbepaling, Juridische Berichten voor het Notariaat 2010/6 en HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7128.

    • 23 HR 27 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1374.

    • 24 Rb. Amsterdam 29 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2401.

Reageer

Tekst