Lindenbaum / Cohen (1919) contra Artist de Laboureur (1923)

Citeerwijze van dit artikel:
Mr. W.M.U. van der Blom, ‘Lindenbaum / Cohen (1919) contra Artist de Laboureur (1923)’, OAA 2014, april-juni, DOI: 10.5553/OAA/.000002

DOI: 10.5553/OAA/.000002
Previously published article

Lindenbaum / Cohen (1919) contra Artist de Laboureur (1923)

Trefwoorden wettelijk stelsel, rechtsvinding, de normering van het recht, goede trouw, redelijkheid en bilijkheid, wanneer kwalificeert een verbintenis als titel, goederenrechtelijke verhoudingen
Auteurs
DOI
Bron
Open_access_icon_oaa
    • 1 Introductie

      De arresten Lindenbaum/Cohen (1919) en Artist de Laboureur (1923) blijken in onderling verband en samenhang op te leveren het raamwerk van het wettelijk stelsel.
      In het arrest Lindenbaum/Cohen heeft de Hoge Raad de juridische middeleeuwen achter zich gelaten door onder woorden te brengen de open norm die het rechtsaspect typeert (= de Norm1xDe Norm (met hoofdletter) staat voor die norm die koers en richting geeft aan een bepaald normatief terrein als bijv. de ethiek, de moraal of het recht. De centrale norm van dat normatief gebied derhalve. Voor het recht is die centrale norm ontwikkeld in en vanuit het arrest Lindenbaum/Cohen.). Het criterium van de zorgvuldigheid die in het (betreffend) maatschappelijk verkeer betaamt geeft immers integraal invulling aan artikel 6:2 BW en zijn verbijzonderingen zowel buiten als binnen het burgerlijk recht, en stuurt zo het recht aan, tot in al zijn uithoeken: open, dynamisch, daarmee meteen actueel en dus bij de tijd!
      In het arrest Artist de Laboureur heeft de Hoge Raad nog geen vier jaar later de in het burgerlijk recht al eerder in de artikelen 1374 lid 3 en 1375 BW (oud) neergelegde contractuele uitwerking van die open norm van Lindenbaum/Cohen (de Norm) abusievelijk terzijde gesteld. Het normerende van het ‘te goeder trouw ten uitvoer brengen’ van de overeenkomst is immers opzij gezet door het instrument van ‘naar de eisen van redelijkheid en billijkheid’, aan welk instrument ten onrechte normerende waarde is toegekend.

      In het artikel wordt toegelicht dat en waarom aan het instrument van de eisen van redelijkheid en billijkheid elke normering ontbreekt: het is een vragenmechaniek, en dus anders dan de Norm niet een criterium waaraan de rechtsvinding koers en richting ontleent.
      Aansluitend wordt uitgewerkt hoe de open norm van het ten uitvoer brengen te goeder trouw als dé invulling van de Norm binnen het contractenrecht – op vergelijkbare wijze als het criterium van de ‘maatschappelijke zorgvuldigheid’ op buitencontractueel terrein ten aanzien van het negatief belang – alle ruimte biedt het overeengekomen positief belang aan te vullen dan wel te beperken, uiteraard enkel als de billijkheid dat in casu vergt.

      Ten slotte wordt met hulp van het (vragen)mechaniek van redelijkheid en billijkheid geformuleerd de generaal toe te passen vraagstelling op basis waarvan kan worden vastgesteld welke potentiële of overeengekomen verbintenissen in casu op het moment van het ten uitvoer brengen (niet eerder) de kwalificatie titel toekomt, en daarmee de exclusief aan de titel voorbehouden bevoegdheid te muteren in het goederenrecht c.q. de goederenrechtelijke verhoudingen, als bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst.

      Een schema verduidelijkt het artikel. Voor het gemak is een overzicht van wetsteksten Oud en Nieuw BW toegevoegd, naar de stand per april 2004.

    • 2 De noodzaak redelijkheid en billijkheid te relativeren

      In 1919 heeft de Hoge Raad in het arrest Lindenbaum/Cohen2xHR 31 januari 1919, NJ 1919/161. de allesomvattende norm neergelegd waarmee het recht op gepaste afstand de maatschappelijke ontwikkelingen kan volgen en volgt. Die – generaal te respecteren – norm houdt in dat het recht inhoud geeft aan die zorgvuldigheid die in het (betreffend) maatschappelijk verkeer betaamt (art. 6:162 lid 2 BW, het derde criterium). Een continue uitbouw, verfijning en actualisering van het recht op – voorshands enkel – buitencontractueel terrein is het resultaat.

      Zo niet op contractueel gebied. Immers, in 1923 heeft de Hoge Raad in het arrest Artist de Laboureur3xHR 9 februari 1923, NJ 1923/676. binnen het overeenkomstenrecht de al veel eerder in de wet neergelegde contractuele uitwerking van diezelfde open norm om zeep geholpen. Dat is geschied door aan de in de wet opgenomen opdracht de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer te brengen (art. 1374 lid 3 BW oud) de invulling te geven van ‘naar de eisen van redelijkheid en billijkheid’. Sindsdien mist de rechtsvinding op contractueel terrein de nodige scherpte. Redelijkheid en billijkheid kennen namelijk geen normering. Zij bieden slechts hulp bij het stellen van vragen. Daarom missen zij de voor rechtsvinding vereiste normatieve scherpte. Pas als de gebruiker aan de vraagstelling de norm toevoegt (ethisch, moreel, juridisch, maar bijv. ook economisch) ontstaat een normatieve uitkomst.

      In het huurrecht zou de bij elke rechtsvinding te stellen juridisch-normatieve vraag als volgt luiden: Wat vindt u in het licht van de juridische elementen (a) …, (b) …, en (c)…, (d) naar de norm van het zich hebben te gedragen als ‘goed huurder’, (e) in casu redelijk en billijk?4xDe uitwerking van de juridische criteria (a) …, (b) …, en (c) …, vindt u in de vraagstelling aan het slot van par. 4 van dit artikel. Het criterium (d) van het zich hebben te gedragen als ‘goed huurder’5xAls een naar rechtsgebied verbijzonderde uitwerking van de Norm weergevend de in het huurrecht door de huurder rechtens te betrachten zorgvuldigheid. biedt, indien men dat begrip ‘goed + hoedanigheid’ consequent en dus stelselmatig in de bij de rechtsvinding te stellen vragen inpast, juist door de toespitsing op het aan de orde zijnd rechtsgebied (het huurrecht), een praktisch hulpmiddel om invulling te geven aan de naar het rechtsgebied van de casus verbijzonderde uitwerking van de zorgvuldigheid die in het (betreffend) maatschappelijk verkeer betaamt (= de Norm).

      Gelet op het ontbreken van enig normerend vermogen aan het vragenmechaniek van (de eisen van) redelijkheid en billijkheid dienen de artikelen 1374 en 1375 BW (oud) in ere te worden hersteld door stelselmatig uit het recht en de rechtsvinding te elimineren de verwijzing naar ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid’ zoals inmiddels te vinden onder andere in de voor de rechtsvinding cruciale artikelen 6:2 BW en 6:248 BW.

    • 3 Een en dezelfde norm – zowel buitencontractueel als contractueel

      Ook binnen het overeenkomstenrecht heeft het resultaat van de rechtsvinding te voldoen aan de eis/de Norm dat de uitkomst overeenkomt met de zorgvuldigheid die in het (betreffend contractueel) maatschappelijk verkeer betaamt. Contractueel betekent niets anders dan dat er afspraken zijn. Die afspraken moeten te goeder trouw ten uitvoer worden gebracht (art. 1374 lid 3 BW oud). Daarom noemen we op contractueel terrein de rechtens te betrachten zorgvuldigheid dan ook de goede trouw.

      Het verschil in terminologie hangt samen met het verschil in het te beschermen belang. Voor die situaties waarin geen afspraken zijn gemaakt beschermt het recht het negatief belang van het zich van inbreuk hebben te onthouden, of de norm verwoordend de gehoudenheid van (potentieel) schuldeiser en (potentieel) schuldenaar zich over en weer zozeer met inachtneming van de in het (betreffend) maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid te gedragen, dat tussen hen geen tot schadevergoeding verplichtende verbintenis ontstaat.

      Dat geldt voor het recht in het algemeen (alle rechtsgebieden) op grond van artikel 6:2 BW.

      Dat geldt vanuit het recht in het algemeen toegespitst op het burgerlijk recht op grond van artikel 6:2 BW + artikel 6:162 BW (cumulatief).

      Wanneer partijen afspraken maken (= een overeenkomst sluiten), dan gaan zij ervan uit en mogen zij ervan uitgaan dat zoals voor iedereen, ook voor hen de bescherming van het negatief belang als basisvoorziening op grond van de artikelen 6:2 + 6:162 BW al voldoende is geborgd. Impliciet uitgaand van die op zich juiste vooronderstelling beperken contractanten zich er dan ook toe, en kunnen zij zich er toe beperken, tot enkel het maken van afspraken met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst, tot enkel het vastleggen van het positief belang dat hen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen staat.

      Dat positief belang brengt met zich dat contractanten zich hebben te houden aan het gegeven woord. Maar ook dat trouw zijn en blijven aan het gegeven woord dient te worden uitgevoerd met inachtneming van de in het (betreffend) maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid (= de Norm), te goeder trouw derhalve.

      Dat geldt voor afspraken binnen het burgerlijk recht in het algemeen op grond van artikel 6:2 BW + artikel 6:162 BW + de artikelen 1374 lid 3 en 1375 BW (oud) (cumulatief). Dat geldt voor afspraken binnen het burgerlijk recht bij bijzondere overeenkomsten op grond van artikel 6:2 BW + artikel 6:162 BW + de artikelen 1374 lid 3 en 1375 BW (oud) + artikel 7:611 BW6xAls voorbeeld voor een van de bijzondere overeenkomsten. (cumulatief). Dus met inachtneming van die zorgvuldigheidsnorm die de betreffende bijzondere overeenkomst regeert.

      Om een paar van de meest aansprekende bijzondere contractuele zorgvuldigheidsnormen7xVerwoordingen van de Norm op het betreffend rechtsterrein. te noemen:

      • het over en weer zijn van goed verhuurder respectievelijk goed huurder (ex art. 7:200 (in spe8xDe wetgever heeft tot op heden verzuimd de – tegenover de gelijkluidende verplichting van de huurder staande -–verplichting van de verhuurder zich als ‘goed verhuurder’ te gedragen in de wet op te nemen. Die beide verplichtingen over en weer (tezamen) leveren op de verwoording van de Norm binnen een wederkerige overeenkomst als de huurovereenkomst.) en 7:213 BW);

      • het over en weer zijn van goed werkgever respectievelijk goed werknemer (ex art. 7:611 BW);

      • het over en weer zijn van goed echtgenoot (‘jegens elkander’) (ex art. 1:81 + 1:82 BW + artikel 1:83 BW (oud) (cumulatief)).

    • 4 De Norm – voorop te stellen, omdat zij de rechtsvinding koers en richting geeft

      Hoe nu om te gaan met de verhouding tussen de het recht koers en richting gevende norm van het in acht nemen van de in het (betreffend) maatschappelijk verkeer te betrachten zorgvuldigheid (= de Norm), en de overige voor de casus relevante normering? Denk bij die overige voor de casus relevante normering aan:

      (buitencontractueel)

      • het niet maken van een inbreuk op een recht (art. 6:162 lid 2 BW, het eerste criterium) en

      • het respecteren van een wettelijke plicht (art. 6:162 lid 2 BW, het tweede criterium);

      (buitencontractueel en/of contractueel)

      • zaakwaarneming (art. 6:198 e.v. BW),

      • onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) en

      • ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW);

      (contractueel)

      • de gemaakte afspraken/de gesloten overeenkomst (art. 1374 lid 1 BW (oud)) – de overeenkomst strekt partijen tot wet (= ‘de kleine wet’).

      Artikel 1374 lid 3 BW (oud) jo. de artikelen 6:2 en 6:248 BW, telkens lid 2, wijzen hier de weg. Partijen hebben al die (andere) normering zonder meer te respecteren, zo leert ons in alle helderheid de gestrengheid van het begrip ‘de kleine wet’ in artikel 1374 lid 1 BW (oud).

      Zonder iets af te doen aan die gestrengheid van het eerste lid bepaalt vervolgens het derde lid van artikel 1374 BW (oud), dat de conform het eerste lid te respecteren verbintenis – om tot titel te worden bevorderd – nog wel te goeder trouw ten uitvoer moet worden gebracht. Dat brengt met zich de gehoudenheid de verbintenis ofwel ongewijzigd executoriaal te verklaren, ofwel aan te vullen, ofwel te beperken, al naar gelang dat in casu wordt gevergd door de koers en richting gevende norm van de zorgvuldigheid die in het betreffend maatschappelijk verkeer betaamt (= de Norm).

      Het uitvoering geven aan die gehoudenheid9xDat is niets anders dan het bij de uitvoering (bij het ten uitvoer leggen, niet eerder) conform art. 1374 lid 3 BW (oud) invulling geven aan het geheel van de op dat moment te stellen vragen, op grond van de uitkomst waarvan de verbintenis – al dan niet na aanvulling en/of beperking – eerst de status van titel verkrijgt. kan onder omstandigheden zelfs leiden tot het inperken van de wet en dus evenzo tot het inperken van ‘de kleine wet’ (= de overeenkomst), zo leert ons telkens lid 2 van de artikelen 6:2 en 6:248 BW. Die bevoegdheid de verbintenis zowel aan te vullen als te beperken al naar gelang de billijkheid (= de in casu te betrachten zorgvuldigheid) dat vergt, is in het huidig Burgerlijk Wetboek uitgewerkt in het eerste lid (de aanvullende werking) en het tweede lid (de beperkende werking) van zowel artikel 6:2 als artikel 6:248 BW. Daarbij vestigt het in het tweede lid opgenomen begrip van ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ er op weinig heldere, en daarom ongelukkige wijze10xRedelijkheid en billijkheid ontberen immers normering, en kunnen dan ook geen maatstaf opleveren. de aandacht op dat je bij het vinden van het recht de overige voor de casus relevante normering, al dan niet contractueel van aard, zo veel mogelijk dient te respecteren, letterlijk als ware zij wet (art. 1374 lid 1 BW (oud)) tot op het moment dat de zorgvuldigheid die in het betreffend maatschappelijk verkeer betaamt en daarom de rechtsverhouding regeert (= de Norm), anders vergt.11xZie voor de onderbouwing van deze interpretatie de parlementaire geschiedenis (art. 6.1.1.2 – MvA II), besproken onder punt 8 (p. 22) van het aan het slot onder Verantwoording genoemd artikel, te vinden op de website www.metrechtanders.nl.

      Daarom maakt die generaal te respecteren zorgvuldigheid via het criterium (d) een essentieel, in wezen het doorslaggevend criterium uit12xMeteen de discussie beslechtend omdat het primaat van de open norm nu eenmaal te allen tijde de doorslag behoort te geven! van het strak schema van vragen dat men bij het vinden van het recht heeft te beantwoorden:13xHet vinden van het recht is niets anders dan het met toepassing van de Norm formuleren van de/die titel die de bevoegdheid oplevert om de goederenrechtelijke verhoudingen aan te passen aan wat het verbintenissenrecht in casu vergt, aan wat de intermenselijke (= relationele) verhoudingen in casu rechtens vergen.

      Welke uitkomst vindt u, rekening houdend met de juridische elementen (a) …, (b) … en (c) …, (d) in het licht van de op dit rechtsgebied te betrachten zorgvuldigheidsnorm, verwoord via het begrip ‘goed + hoedanigheid’, (e) in casu redelijk en billijk?

      Het stelselmatig nalopen van die vragen die juist door te toetsen aan een viertal elementen van juridische aard de juridische kleur toevoegen aan het op zich neutraal vragenmechaniek van redelijkheid en billijkheid,14xEn aldus niet een ethisch, moreel, economisch, natuurwetenschappelijk enz., maar een specifiek juridisch antwoord uitlokken op de vraag wat men in casu redelijk en billijk oordeelt. biedt de mogelijkheid op eenvoudige wijze het voorlopig resultaat van de rechtsvinding aan de normering van het recht te toetsen, waardoor dat resultaat de status van (executoriale) titel verkrijgt. Daarmee wordt consistente rechtsvinding en consistente rechtspraak bevorderd.

      De voor het afronden van de rechtsvinding te stellen vraag uitwerkend:

      Wat vindt u

      (a) in het licht van de maatschappelijke appreciatie van het voorliggend rechtsterrein in het algemeen, zoals daarvan mede kan blijken uit een eventuele wettelijke en/of jurisprudentiële regeling,

      (b) gelet op de inhoud die partijen al dan niet aan juist hun relatie in concreto hebben gegeven, zoals daarvan mede kan blijken uit de eventueel tussen hen gemaakte afspraken,

      (c) mede gelet op relevante noties te ontlenen aan het stelsel van de Wet (= het stelsel van de zorgvuldigheid aan het rechtsaspect eigen – de reeds gerealiseerde invulling van art. 6:2 BW en haar verbijzonderingen dus),

      (d) naar de het betreffend rechtsterrein regerende gehoudenheid zich (over en weer) als ‘goed + hoedanigheid’ te gedragen (= de Norm)

      (e) in casu

      redelijk en billijk?

    • 5 Het herpositioneren van redelijkheid en billijkheid

      Dit artikel had ook als titel kunnen hebben de vraag of redelijkheid en billijkheid dienstbaar hebben te zijn aan de Norm die de te regelen verhoudingen aanstuurt. Het antwoord op die vraag kan niet anders dan bevestigend luiden: dienstbaar zijn is nu eenmaal eigen aan een tool die geen ander doel heeft dan de relevante vragen te stellen.

      Als we nu de balans opmaken van een kleine honderd jaar rechtsontwikkeling dan is de uitkomst per saldo (zeer) positief.

      Onderkend kunnen worden de volgende negatieve en positieve ontwikkelingen:

    • Negatief: Gelet op de relatief beperkte functie van tool om de juiste vragen te stellen en te beantwoorden kan er van een zelfstandige rol van (de eisen van) redelijkheid en billijkheid geen sprake zijn. Niet binnen het geloofsaspect, niet binnen de ethiek, niet binnen de moraal, niet binnen het recht, niet binnen de economie, niet binnen enig ander aspect van het menselijk bestaan.

    • Positief: Als tool om de juiste vragen te stellen en te beantwoorden vormt het achter het begrip redelijkheid en billijkheid schuilgaand geheel van vragen het middel bij uitstek om de feiten te toetsen aan de norm die het gebied aanstuurt waarop de vraagstelling zich richt, op weg naar een normatieve uitkomst. Binnen het geloof, binnen de ethiek, binnen de moraal, binnen het recht, binnen de economie, en binnen alle andere aspecten van het menselijk bestaan.

    • In rechte negatief: Een negentigtal jaren geleden heeft het door de Hoge Raad geïntroduceerde begrip van ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid’ de rechtsvinding op contractueel terrein de vereiste normatieve scherpte doen ontberen omdat door het toekennen van normatieve waarde aan redelijkheid en billijkheid het zicht op de uiteindelijk te respecteren norm (de Norm) is versluierd.

    • In rechte positief: Nu blijkt dat redelijkheid en billijkheid uit hun aard geen andere functie vervullen dan die van tool om de juiste vragen te stellen en te beantwoorden zodat (opnieuw) de Norm centraal komt te staan waaraan men bij de rechtsvinding koers en richting ontleent, blijkt niet alleen van een de redelijkheid en billijkheid passende herpositionering maar tevens – als bijvangst van negentig jaar rechtsontwikkeling – van een zich helder aftekenen van het stelsel van het recht, reeds in de wetgeving neergelegd.

    • Dat wettelijk stelsel vindt u terug in de volgende artikelen – om integraal recht te doen aan eerder resultaat van rechtsvinding cumulatief te benutten (zie ook het schema in bijlage 1):

      Artikel 6:2 BW

      voor het recht in het algemeen (alle rechtsgebieden)

      Artikel 6:2 BW + artikel 6:162 BW

      Voor het burgerlijk recht (buitencontractueel)

      Artikel 6:2 BW + artikel 6:162 BW + de artikelen 1374 lid 3 en 1375 BW (oud)

      Voor het burgerlijk recht (contractueel algemeen)

      Artikel 6:2 BW + artikel 6:162 BW + de artikelen 1374 lid 3 en 1375 BW (oud) + bijvoorbeeld artikel 7:611 BW

      Voor het burgerlijk recht (contractueel – de bijzondere overeenkomsten).

    • Verantwoording

      In het op de website www.metrechtanders.nl gepubliceerde artikel ‘Ontslag terecht? Toets het aan de billijkheid!’ zijn de recente arresten van de Hoge Raad inzake het kennelijk onredelijk ontslag getoetst aan het hiervoor uitgewerkt algemeen deel van het wettelijk stelsel. Het stuk dateert al uit 2010 en ligt daarom ten grondslag aan dit artikel.15xVoor wie met het arbeidsrecht te maken heeft, anders dan de Hoge Raad leert blijkt de grondslag voor de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag geen andere dan die bij de ontbinding gewichtige redenen. In beide gevallen gaat het om de aanvullende werking van de goede trouw. Schadevergoeding met alle narigheid van afdeling 10 van titel 1 van Boek 6 BW is niet aan de orde. Voor het vaststellen van de billijke vergoeding kan dan ook worden volstaan met het systematisch nalopen van de hiervoor ontwikkelde vraagstelling. Dat levert u meteen de uitkomst (= de titel) op. Maar het zou wel handig als daar nog bijkomt een lijstje met in de afweging te betrekken punten (gelet op de open norm uiteraard enuntiatief, niet imperatief).

    • Bijlage 1. Het wettelijk stelsel

      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/OAA/oaa_OAA-D-14-00002_4_2014

      Bijlage 2. Wetsteksten (april 200416xNog steeds actueel, met uitzondering evenwel van het nieuwe art. 1:83 BW waarvan de inhoud niet constitutief is voor de inhoud van de huwelijksovereenkomst.)

      Art. 1269 OBW Alle verbintenissen ontstaan of uit overeenkomst, of uit de wet.
      juncto
      Art. 6:1 BW Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit.
      Art. 6:3 BW 1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet afdwingbare verbintenis.
      2. Een natuurlijke verbintenis bestaat:
      a. wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt;
      b. wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.
      Art. 1374 OBW 1. Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.
      2. Zij kunnen niet herroepen worden, dan met wederzijdsche toestemming of uit hoofde der redenen welke de wet daartoe voldoende verklaart.
      3. Zij moeten (wel) te goeder trouw worden ten uitvoer gebragt.
      Art. 1375 OBW Overeenkomsten verbinden niet alleen tot datgene hetwelk uitdrukkelijk bij dezelve bepaald is, maar ook tot al hetgeen dat, naar den aard van dezelve overeenkomsten, door de billijkheid, het gebruik, of de wet, wordt gevorderd.
      juncto
      Art. 6:2 BW 1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid
      2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
      Art. 6:162 BW 1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
      2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
      3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
      Art. 6:248 BW 1. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte, of de eisen van redelijkheid of billijkheid voortvloeien.
      2. Een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
      Art. 1596 OBW De huurder is tot twee hoofdverplichtingen gehouden:
      1° om het gehuurde als een goed huisvader te gebruiken (…)
      2° ( …)
      juncto
      Art. 7A:1596 BW De huurder is tot twee hoofdverplichtingen gehouden:
      1° om het gehuurde als een goede huurder te gebruiken (…)
      2° (…)
      Art. 7:611 BW De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen.
      Art. 1:81 BW Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.
      Art. 1:82 BW Echtgenoten zijn jegens elkander verplicht hun kinderen te verzorgen en op te voeden.17xDe tekst van art. 1:82 BW is gewijzigd met ingang van 22 juni 2001.
      Art. 1:83 BW 1. Echtgenoten zijn jegens elkander tot samenwoning verplicht, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
      2.-3. (…)18xArt. 1:83 BW is vervallen met ingang van 22 juni 2001.
      Art. 1:100 BW 1. De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.
      2. (…)
      Art. 3:11 BW Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.19x‘Goede trouw van een persoon’ of subjectieve goede trouw.
      Art. 3:12 BW Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval betrokken zijn.20x‘Redelijkheid en billijkheid’ of objectieve goede trouw (= ‘goed’ in de zin van ‘goed + hoedanigheid’: ‘goed crediteur/debiteur’, ‘goed werkgever/werknemer’, ‘goed verhuurder/huurder’, ‘goed echtgenoot’, enz.).
      Art. 7 lid 1 Weens koopverdrag Bij de uitleg van dit Verdrag dient rekening te worden gehouden met het internationaal karakter ervan en met de noodzaak eenvormigheid in de toepassing ervan en naleving van de goede trouw in de internationale handel te bevorderen.
      In the interpretation of this Convention, regard is to be had to its international character and to the need to promote uniformity in its application and the observance of good faith in international trade.
      Pour l’interprétation de la présente Convention, il sera tenu compte de son caractère international et de la nécessité de promouvoir l’uniformité de son application ainsi que d’assurer le respect de la bonne foi dans le commerce international.)
      Art. 3:84 BW 1. Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.
      2.-4. (…)
      Art. 3:186 BW 1. Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven.
      2. (…)
      Art. 3:276 BW Tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt, kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen.
      Art. 6:212 BW Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
      2.-3. (…)21xIn feite is dit de normering op basis waarvan tot het bestaan van een verbintenis vanuit het goederenrecht wordt geconcludeerd, o.a. bij spontane goederenrechtelijk mutaties als toe-eigening, schatvinding, natrekking, vermenging en/of zaaksvorming.
      Art. 7:658 BW 1.-2. (…) (zorgplicht/aansprakelijkheid werkgever)
      3. Van de leden 1 en 2 en van hetgeen titel 3 van Boek 6 bepaalt over de aansprakelijkheid van de werkgever kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
      4. (…)
      Art. 4 EVRM 1. Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.
      2.-3. (…)
      Art. 7A:1672 BW 1. Het beding, waarbij aan een (of meer) der vennoten alle de voordelen mogten toegezegd zijn, is nietig.
      2. Maar het is geoorloofd te bedingen, dat alle de verliezen bij uitsluiting door een of meer vennoten zullen gedragen worden.

      Commentaar

      De behoefte tot het invoeren van het begrip redelijkheid en billijkheid – eerst in de jurisprudentie, vervolgens in de wet – is voortgekomen uit het verlangen helderder te kunnen onderscheiden tussen ‘goede trouw in subjectieve zin’, en ‘goede trouw in objectieve zin’.
      Met het badwater heeft men evenwel het kind weggegooid: het normerende van ‘goede trouw’ in de zin van ‘goed + hoedanigheid’ (vgl. art. 1374 lid 3 OBW) is immers uit de tekst geëlimineerd.
      Dat deze insteek onjuist is kan blijken uit het later tot stand gekomen artikel 7 lid 1 van het Weens Koopverdrag, dat niet hanteert het normloos begrip ‘redelijkheid en billijkheid’, maar heel helder het normerend begrip ‘goede trouw in de internationale handel’ – ‘good faith in international trade’ – ‘le respect de la bonne foi dans le commerce international’.

    Noten

    • 1 De Norm (met hoofdletter) staat voor die norm die koers en richting geeft aan een bepaald normatief terrein als bijv. de ethiek, de moraal of het recht. De centrale norm van dat normatief gebied derhalve. Voor het recht is die centrale norm ontwikkeld in en vanuit het arrest Lindenbaum/Cohen.

    • 2 HR 31 januari 1919, NJ 1919/161.

    • 3 HR 9 februari 1923, NJ 1923/676.

    • 4 De uitwerking van de juridische criteria (a) …, (b) …, en (c) …, vindt u in de vraagstelling aan het slot van par. 4 van dit artikel.

    • 5 Als een naar rechtsgebied verbijzonderde uitwerking van de Norm weergevend de in het huurrecht door de huurder rechtens te betrachten zorgvuldigheid.

    • 6 Als voorbeeld voor een van de bijzondere overeenkomsten.

    • 7 Verwoordingen van de Norm op het betreffend rechtsterrein.

    • 8 De wetgever heeft tot op heden verzuimd de – tegenover de gelijkluidende verplichting van de huurder staande -–verplichting van de verhuurder zich als ‘goed verhuurder’ te gedragen in de wet op te nemen. Die beide verplichtingen over en weer (tezamen) leveren op de verwoording van de Norm binnen een wederkerige overeenkomst als de huurovereenkomst.

    • 9 Dat is niets anders dan het bij de uitvoering (bij het ten uitvoer leggen, niet eerder) conform art. 1374 lid 3 BW (oud) invulling geven aan het geheel van de op dat moment te stellen vragen, op grond van de uitkomst waarvan de verbintenis – al dan niet na aanvulling en/of beperking – eerst de status van titel verkrijgt.

    • 10 Redelijkheid en billijkheid ontberen immers normering, en kunnen dan ook geen maatstaf opleveren.

    • 11 Zie voor de onderbouwing van deze interpretatie de parlementaire geschiedenis (art. 6.1.1.2 – MvA II), besproken onder punt 8 (p. 22) van het aan het slot onder Verantwoording genoemd artikel, te vinden op de website www.metrechtanders.nl.

    • 12 Meteen de discussie beslechtend omdat het primaat van de open norm nu eenmaal te allen tijde de doorslag behoort te geven!

    • 13 Het vinden van het recht is niets anders dan het met toepassing van de Norm formuleren van de/die titel die de bevoegdheid oplevert om de goederenrechtelijke verhoudingen aan te passen aan wat het verbintenissenrecht in casu vergt, aan wat de intermenselijke (= relationele) verhoudingen in casu rechtens vergen.

    • 14 En aldus niet een ethisch, moreel, economisch, natuurwetenschappelijk enz., maar een specifiek juridisch antwoord uitlokken op de vraag wat men in casu redelijk en billijk oordeelt.

    • 15 Voor wie met het arbeidsrecht te maken heeft, anders dan de Hoge Raad leert blijkt de grondslag voor de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag geen andere dan die bij de ontbinding gewichtige redenen. In beide gevallen gaat het om de aanvullende werking van de goede trouw. Schadevergoeding met alle narigheid van afdeling 10 van titel 1 van Boek 6 BW is niet aan de orde. Voor het vaststellen van de billijke vergoeding kan dan ook worden volstaan met het systematisch nalopen van de hiervoor ontwikkelde vraagstelling. Dat levert u meteen de uitkomst (= de titel) op. Maar het zou wel handig als daar nog bijkomt een lijstje met in de afweging te betrekken punten (gelet op de open norm uiteraard enuntiatief, niet imperatief).

    • 16 Nog steeds actueel, met uitzondering evenwel van het nieuwe art. 1:83 BW waarvan de inhoud niet constitutief is voor de inhoud van de huwelijksovereenkomst.

    • 17 De tekst van art. 1:82 BW is gewijzigd met ingang van 22 juni 2001.

    • 18 Art. 1:83 BW is vervallen met ingang van 22 juni 2001.

    • 19 ‘Goede trouw van een persoon’ of subjectieve goede trouw.

    • 20 ‘Redelijkheid en billijkheid’ of objectieve goede trouw (= ‘goed’ in de zin van ‘goed + hoedanigheid’: ‘goed crediteur/debiteur’, ‘goed werkgever/werknemer’, ‘goed verhuurder/huurder’, ‘goed echtgenoot’, enz.).

    • 21 In feite is dit de normering op basis waarvan tot het bestaan van een verbintenis vanuit het goederenrecht wordt geconcludeerd, o.a. bij spontane goederenrechtelijk mutaties als toe-eigening, schatvinding, natrekking, vermenging en/of zaaksvorming.

Reageer

Uw reactie