De tolk in het strafproces op Aruba

DOI: 10.5553/CJB/221132662015004002003
Artikel

De tolk in het strafproces op Aruba

Aanbevelingen voor de wetgever en de praktijk

Trefwoorden Tolk, Artikel 6 lid 3 sub e EVRM, Artikel 348 lid 1 ASv, Processtukken, Rechtstaal
Auteurs
DOI
Bron
Open_access_icon_oaa
    • 1. Inleiding

      In Aruba, en ook op de andere eilanden in de Cariben, zijn vele nationaliteiten vertegenwoordigd. Dat kan tot problemen leiden in de rechtszaal, waar de verdachte met een (in de meeste gevallen) Nederlandse rechter en Nederlandse officier van justitie moet communiceren. De oplossing wordt uiteraard gevonden in het inschakelen van een tolk en om die reden wordt bij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba dagelijks gebruik gemaakt van de diensten van één of meer tolken; van strafzaken tot aan echtscheidingszaken.1xDoor de enigszins gemeenschappelijke geschiedenis en gelijksoortige samenstelling van de eilanden in de regio (Boven- en Benedenwinden) is de taalbarrière een verschijnsel waar zij ook mee te maken hebben.

      Het recht van de verdachte in een strafzaak op kosteloze bijstand van een tolk is op supranationaal niveau geregeld in artikel 6 lid 3 sub e EVRM.2x‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (…) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd, niet verstaat of niet spreekt.’ Het gaat om een fundamenteel recht dat een verdachte te allen tijde geldend moet kunnen maken. Immers, het behoeft geen betoog dat het praktisch onmogelijk is om een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM te hebben indien de verschillende actoren in de rechtszaal elkaar niet kunnen verstaan.

      Deze bijdrage gaat over de inzet van tolken in het Arubaanse strafproces. Vanaf wanneer moet de verdachte door een tolk bijgestaan worden en welke stukken moeten voor hem vertaald worden? Dit zijn vragen die op basis van de verschillende artikelen die gaan over de tolk in het huidige Wetboek van Strafvordering van Aruba (verder: ASv) niet zonder meer te beantwoorden zijn. De regeling in het huidige wetboek is namelijk erg marginaal. Ik zal in deze bijdrage naar aanleiding van de rechtspraak van het EHRM en andere bronnen aanbevelingen formuleren voor de wetgever van het nieuwe ASv, dat momenteel in voorbereiding is. Daarnaast zal ik ook proberen de praktijk houvast te geven bij het verzekeren van het door artikel 6 lid 3 sub e EVRM gegarandeerde recht. Daarbij zal ik ook putten uit mijn eigen ervaringen als tolk bij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba.

      De indeling is als volgt: in de volgende paragraaf wordt stilgestaan bij de regeling in het huidige ASv. In paragraaf 3 wordt stilgestaan bij de reikwijdte van het recht op een tolk. Paragraaf 4 geeft antwoord op de vraag welke processtukken vertolkt en vertaald moeten worden. In paragraaf 5 wordt aandacht besteed aan een ander aspect van deze bepaling, te weten de vraag welke eisen door het EHRM aan een ‘tolk’ worden gesteld. In de zesde paragraaf zal ik aanbevelingen doen voor de praktijk, waarna deze bijdrage wordt afgerond met een conclusie in paragraaf 7 die vooral tot de wetgever van ons nieuwe ASv gericht is.

    • 2. Het huidige Wetboek van Strafvordering van Aruba3xUiteraard geldt hetgeen ik hier beschrijf mutatis mutandis ook voor de huidige Curaçaose en Sint Maartense Wetboeken van Strafvordering.

      De artikelen die we vinden in het huidige ASv over tolkenbijstand, gaan alle over een specifiek(e) moment/situatie binnen het strafproces. In het nieuwe conceptwetboek zijn op het moment van schrijven geen wijzigingen ter zake aangebracht, behalve in artikel 348 lid 1, waarop ik later in deze bijdrage uitgebreid terugkom.

      Artikel 82 ASv bestrijkt het chronologisch eerste moment waarop een regeling wordt gegeven van bijstand door een tolk, voor mensen die in Aruba worden aangehouden en het Nederlands niet (voldoende) beheersen. Dit is te lezen in lid 4, waarin staat:

      ‘De mededeling [betreffende de reden voor de vrijheidsontneming en de rechten bij het verhoor; SP] geschiedt in een taal die de verdachte verstaat. Bij gegronde twijfel of een verdachte de mededeling goed heeft begrepen, neemt het verhoor geen aanvang, voordat de bijstand van een tolk is ingeroepen.’

      Vervolgens geeft artikel 231 lid 1 ASv een regeling voor de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris in het gerechtelijk vooronderzoek.

      ‘Indien een verdachte, getuige of deskundige de taal die de rechter-commissaris bezigt, niet verstaat, benoemt deze een tolk, die de leeftijd van achttien jaren moet hebben bereikt. (…)’

      Het artikel dat qua bewoordingen nog het meest lijkt op artikel 6 lid 3 sub e EVRM is artikel 348 lid 1 ASv waarin staat:

      ‘Indien een verdachte of getuige de rechtstaal niet verstaat heeft het onderzoek niet plaats zonder bijstand van een tolk.’

      Gezien de titel en afdeling waarin dit artikel staat, heeft dit artikel uitsluitend betrekking op de kosteloze bijstand van een tolk tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Zoals hierna zal blijken, beperkt artikel 6 lid 3 sub e EVRM zich daarentegen niet slechts tot het onderzoek ter terechtzitting.

      Deze drie ‘losse’ artikelen zien weliswaar op het recht op tolkenbijstand, maar dekken mijns inziens niet de lading van dit recht. Om een voorbeeld te geven van een tekortkoming van de wettelijke regeling: in het huidige Wetboek van Strafvordering wordt met geen enkel woord gerept over vertaling en/of vertolking in het vooronderzoek, ondanks dat dit deel van de procedure in ons strafproces zeer belangrijk is.4xWeliswaar gaat artikel 231 ASv over de situatie in het gerechtelijk vooronderzoek, maar dat wordt steeds zeldzamer. Buiten het gerechtelijk vooronderzoek is er niets geregeld betreffende het vooronderzoek. Deze onduidelijkheid kan tot gevolg hebben dat een verdachte niet op optimale wijze zijn recht geldend kan maken, waardoor er onder omstandigheden niet gesproken kan worden van een ‘fair trial’ conform artikel 6 EVRM, zoals ik hierna zal laten zien.

    • 3. De reikwijdte van het recht op een tolk

      Artikel 6 lid 3 sub e EVRM luidt:

      ‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (…) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting [mijn cursivering; SP] wordt gebezigd, niet verstaat of niet spreekt.’

      Ik wil op twee punten nader ingaan in deze paragraaf. Het eerste betreft ‘de taal’. Over welke taal hebben we het dan in Aruba? In het huidige Wetboek van Strafvordering staat in artikel 1 dat de rechtstaal is: ‘de gebezigde taal die in het rechtsgebied als officiële taal is toegelaten.’ Dit is uitgewerkt in de Landsverordening officiële talen, die in artikel 6 bepaalt: ‘de officiële taal die als rechtstaal, bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering van Aruba voor Aruba is toegelaten, is het Nederlands.’5xLandsverordening officiële talen, 21 mei 2003, AB 2003, 38.

      Deze formulering lijkt duidelijk te stellen dat slechts de Nederlandse taal mag worden gebezigd, maar toch is dat niet zonder meer het geval. Artikel 9 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie luidt namelijk: ‘Het Hof en de Gerechten in eerste aanleg doen uitspraak in het Nederlands. Overigens zijn de voertalen [mijn cursivering; SP] bij het Hof en de Gerechten in eerste aanleg Engels, Nederlands en Papiaments.’6xRijkswet van 7 juli 2010, houdende regeling van taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie). AB 2010 nr. 61. Er zijn derhalve verschillende scenario’s denkbaar betreffende de benodigde vertolking.

      Een voorbeeld van een mogelijk scenario is dat de verdachte de rechtstaal – het Nederlands – niet beheerst. Hij heeft dan recht op een tolk op grond van artikel 348 ASv. Maar stel dat alle aanwezigen ter zitting het Papiaments beheersen en als voertaal gebruiken. Dan nog moet er strikt genomen volgens artikel 348 ASv een tolk aanwezig zijn als de verdachte de rechtstaal niet spreekt.7xIk laat de situatie buiten beschouwing dat alleen de officier van justitie de voertaal niet beheerst, en derhalve vertolking nodig heeft, dit valt buiten het bestek van dit artikel. Hier doet zich een verschil voor met artikel 6 lid 3 sub e EVRM, dat aansluit bij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd. In het geval van de Papiamentstalige zitting zou dus geen bijstand van een tolk noodzakelijk zijn. Op dit punt kom ik later terug, omdat artikel 6 lid 3 sub e EVRM er kennelijk van uitgaat dat de voertaal én de rechtstaal dezelfde zijn.

      In het nieuwe wetboek is afstand genomen van deze regeling en wordt in artikel 348 lid 1 ASv gesproken van ‘voertaal’. Ik kom daar in paragraaf 4 op terug. Op deze plaats past de opmerking dat de hiervoor besproken regelgeving daaraan zal moeten worden aangepast.

      Het tweede punt betreft het moment vanaf wanneer het recht op kosteloze bijstand van een tolk ontstaat op grond van artikel 6 lid 3 sub e EVRM. De bepaling is wel uitgelegd als inhoudende een recht dat alleen geldt tijdens het onderzoek ter terechtzitting, echter, dit is een misverstand. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan men afleiden dat de formulering in artikel 6 lid 3 sub e EVRM niet dwingt tot de conclusie dat dit artikel slechts ziet op ‘het onderzoek ter terechtzitting’. In het arrest Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland, ging het om drie verdachten, wiens namen weinig te raden overlaten, met respectievelijk de Turkse, de Algerijnse en de Britse nationaliteit, allen verblijvende in de Bondsrepubliek Duitsland.8xEHRM 28 november 1978, NJ 1980/42 (Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland). Deze drie verdachten werden beschuldigd van verschillende strafbare feiten en moesten zich voor de verschillende Duitse gerechten verantwoorden. Aangezien ze niet voldoende bekend waren met de taal van het land, werden zij, conform het Duitse recht, bijgestaan door een tolk. Nadat ze waren veroordeeld wegens het begaan van de strafbare feiten, werden ze veroordeeld in de kosten van het geding en moesten ze tevens de tolkkosten betalen. De drie heren waren van mening dat dit, het feit dat aan hen ook de tolkkosten in rekening waren gebracht, in strijd was met artikel 6 lid 3 sub e EVRM.

      De Duitse regering was van mening dat artikel 6 lid 3 sub e EVRM slechts zag op tolkenbijstand tijdens de terechtzitting. Zij was van mening dat: ‘article 6 paragraph 3 (e) unambiguously and expressly settles the assistance of an interpreter at the oral hearing (audience), but does not apply to other interpretation costs.’9xEHRM 28 november 1978, par. 48, NJ 1980/42 (Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland). Het EHRM oordeelde dat het het standpunt van de Duitse regering niet kon aanvaarden omdat in artikel 6 lid 3 sub e EVRM niet staat dat ‘every accused person has the right to receive the free assistance of an interpreter at the oral hearing [mijn cursivering, SP]’, maar dat dit recht toegekend wordt ‘if he cannot understand or speak the language used in court [mijn cursivering, SP]’.10xEHRM 28 november 1978, par. 48, NJ 1980/42 (Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland). De conclusie die hieruit voortvloeit, is dat artikel 6 lid 3 sub e EVRM niet slechts ziet op het onderzoek ter terechtzitting, maar zich ook uitstrekt buiten de terechtzitting.

      Een logische vervolgvraag is: hoever voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting? Volgens artikel 6 lid 3 sub e EVRM heeft de verdachte recht op kosteloze bijstand van een tolk zodra er sprake is van een ‘criminal charge’. De criteria voor ‘criminal charge’ zijn zoals bekend voor het eerst in het arrest Engel e.a. tegen Nederland uitgewerkt.11xEHRM 8 juni 1976, NJ 1978/223 (Engel e.a. tegen Nederland). Volgens het EHRM is er sprake van een ‘charge’ zodra een individu van de bevoegde autoriteit officieel bericht ontvangt dat hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd.12xEHRM 10 december 1982, Publ. ECHR series A. vol. 56 en 57; EHRM 15 juli 1982, Publ. ECHR series A. vol. 51 (Eckle tegen Duitsland).

      We hebben gezien dat de regeling in de Arubaanse wet tot in het vooronderzoek reikt: immers, artikel 82 ASv ziet op de situatie bij het politieverhoor, terwijl artikel 231 ASv op het gerechtelijk vooronderzoek ziet. De reikwijdte van artikel 6 lid 3 sub e EVRM lijkt dus tot op zekere hoogte tot uiting te komen in de Arubaanse wetsartikelen, maar is tegelijkertijd bij lange na niet afdoende weergegeven. Immers, op de drie momenten die gecodificeerd zijn na, is er niets geregeld.

      Daarnaast is de vraag welke taken de tolk moet verrichten; gaat het alleen om vertolking van mondelinge communicatie, of kunnen daar ook schriftelijke stukken onder vallen?

    • 4. Moeten processtukken vertolkt en vertaald worden en zo ja, welke?

      In artikel 348 lid 1 ASv is het recht op kosteloze bijstand van een tolk neergelegd voor de verdachte die de rechtstaal niet verstaat. Het is niet meteen duidelijk hoever dit recht zich uitstrekt. Heeft de verdachte ook recht op vertolking/vertaling van de stukken? En welke stukken dan?

      Aangezien ons Wetboek van Strafvordering aan duidelijkheid te wensen overlaat ten aanzien van dit onderwerp, lijkt het nuttig om bij de wetgeschiedenis te rade te gaan om te zien wat de wetgever bij het invoeren van de artikelen die gaan over het recht van de verdachte op kosteloze bijstand van een tolk, destijds voor ogen stond. De memorie van toelichting rept met geen woord over de vertolking/vertaling van schriftelijke stukken die deel uitmaken van een strafzaak.

      In het eerder aangehaalde arrest Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland heeft het EHRM beslist dat het recht, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub e EVRM, inhoudt dat een verdachte recht heeft op gratis bijstand van een tolk voor de vertaling of vertolking van alle documenten of verklaringen die onderdeel zijn van de tegen hem ingestelde vervolging, waarvan kennisname noodzakelijk is opdat de verdachte een ‘fair trial’ kan hebben.
      Dit criterium zien we terug in het Kamasinski-arrest, waarin het in belangrijke mate wordt verduidelijkt.13xEHRM 19 december 1989, NJ 1994/26, m.nt. EAA. Een Amerikaanse staatsburger, Kamasinski, werd vervolgd voor oplichting en verduistering in Oostenrijk. De verdachte, Kamasinski, werd daarbij meerdere keren bijgestaan door beëdigde en niet-beëdigde tolken. Kamasinski klaagde niet direct over het wel of niet beëdigd zijn van de tolken, maar wel over het feit dat de Oostenrijkse wetgeving, die voorzag in het aanstellen van beëdigde tolken, buitengewoon vaag was en geen redelijke standaard van vakbekwaamheid voorschreef om de effectieve bijstand van een tolk te garanderen. De zaak werd daarna voorgelegd aan het EHRM. Het standpunt van het EHRM is dat het recht op kosteloze bijstand van een tolk geen onbeperkte aanspraak inhoudt op vertaling van alle bewijsstukken of officiële processtukken uit zowel de voorbereidende fase als het onderzoek ter terechtzitting. Daarnaast oordeelde het Hof dat niet altijd een schriftelijke vertaling wordt vereist. De bedoeling is dat de verdachte door de bijstand die hij van de tolk krijgt voldoende over zijn zaak te weten komt opdat hij zichzelf kan verdedigen en kan zeggen dat hij een eerlijk proces heeft gehad.14xHet Arubaanse wetboek sluit hier deels bij aan, nu bijvoorbeeld in art. 350 ASv staat: ‘In de gevallen waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem vertolkt te zijn.’ Dit ziet op dezelfde belangen, maar opmerking verdient dat waar dit artikel alleen op de terechtzitting ziet, het uitgangspunt in Kamasinksi waarschijnlijk ruimer doorwerkt in het strafproces. Wellicht is de maatstaf in art. 350 ASv zelfs iets stringenter dan door het EHRM wordt vereist. Het gaat er dus steeds om dat de verdachte door de bijstand die hij van de tolk krijgt op de hoogte geraakt van de zaak en zichzelf kan verdedigen.

      Ik wil hier terugkomen op het in paragraaf 3 gesignaleerde probleem over de ‘rechtstaal’ en de ‘voertaal’. We hebben gezien dat artikel 348 lid 1 ASv de bewoordingen ‘de rechtstaal’ bezigt, terwijl artikel 6 lid 3 sub e EVRM het heeft over ‘de taal die ter terechtzitting gebezigd wordt’. Stel dat een verdachte alleen de Engelse taal – de ‘voertaal’ – spreekt en verstaat en alle aanwezigen die taal ook spreken en verstaan, waardoor hij op basis hiervan geen tolk nodig heeft. Echter, het dossier is in het Nederlands, de ‘rechtstaal’, opgesteld, waardoor enige vertolking van het dossier voor hem nodig zal zijn. Zoals eerder is opgemerkt, is het uiteindelijk de bedoeling dat de verdachte zichzelf kan verdedigen en op die manier een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM kan genieten.

      De huidige bewoordingen van artikel 348 lid 1 ASv geven goed beschouwd meer bescherming dan artikel 6 lid 3 sub e EVRM vereist, omdat ook als de verdachte zich ter zitting in de voertaal verstaanbaar kan maken, een tolk aanwezig moet zijn. Dit is, gelet op de eventuele vertaling van stukken uit het dossier, een goede zaak. Bij de herijking van het Wetboek van Strafvordering van Aruba is de formulering van artikel 348 lid 1 echter gewijzigd, met name de zinsnede ‘Indien een verdachte of getuige de rechtstaal [mijn cursivering; SP] niet verstaat (…)’. Dit artikel luidt nu: ‘Indien een verdachte of getuige de voertaal [mijn cursivering; SP] niet verstaat heeft het onderzoek niet plaats zonder bijstand van een tolk.’ Het verdient de aandacht dat de ‘oude’ formulering voor de verdachte meer bescherming biedt dan de huidige. De verdachte die de voertaal verstaat, maar niet de rechtstaal, en van wie het dossier in de rechtstaal is opgesteld, heeft nu opeens geen recht op een tolk?

      Artikel 6 lid 3 sub e EVRM zou in een dergelijk geval niet zonder meer tot aanwezigheid van een tolk verplichten, omdat de verdachte de (voer)taal die ter terechtzitting gebezigd wordt spreekt. Desondanks zal tolkenbijstand waarschijnlijk, vanuit de gedachte dat de verdachte zichzelf kan verdedigen, ook door het EHRM verplicht worden gesteld wil men van een ‘fair trial’ kunnen spreken.

    • 5. Wat moeten we verstaan onder een ‘tolk’?

      In de voorgaande paragrafen werden meerdere aspecten van de reikwijdte van artikel 348 lid 1 ASv besproken, onder andere de vraag vanaf welk moment het recht van de verdachte op kosteloze bijstand van een tolk ontstaat en ook welke officiële stukken vertolkt/vertaald moeten worden op grond van dit artikel. Waar nog geen aandacht aan is besteed, is de vraag wat moet worden verstaan onder een ‘tolk’. Is dat iemand die een zogeheten ‘tolkendiploma’15xDit is een diploma van een gespecialiseerde vertaal- en tolkopleiding. heeft of kan een willekeurig iemand die ‘goed’ is in talen als tolk optreden? En hoe wordt de kwaliteit van de gegeven vertolking/vertaling gewaarborgd? In deze paragraaf wordt op deze punten nader ingegaan. Ik zal met behulp van enkele uitspraken van het EHRM dichter bij een definitie van wat onder een tolk wordt verstaan, proberen te komen.
      De vijf artikelen in het Wetboek van Strafvordering bevatten alle de term ‘tolk’, maar verder geeft het wetboek geen indicatie van wat onder een tolk moet worden verstaan. Ook de wetsgeschiedenis biedt ons geen handvatten aangezien de memorie van toelichting bij geen van deze artikelen hierover uitweidt. Weliswaar wordt in artikel 349 ASv de beëdiging van de tolk geregeld, maar ook hier blijft nadere toelichting over wie beëdigd kan worden (ook in de wetsgeschiedenis) uit.16xArtikel 349 ASv luidt:

      ‘1. De tolk wordt, alvorens met zijn werkzaamheden aan te vangen, beëdigd. Artikel 250, tweede lid, betreffende vervanging van de beëdiging door een aanmaning is, van overeenkomstige toepassing.
      2. Van degene, die op de vordering van het openbaar ministerie door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke tolk is beëdigd, wordt geen nadere eed gevorderd.
      3. Geen van de getuigen, medeverdachten, leden van het openbaar ministerie of rechters wordt als tolk toegelaten.’

      Bij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba is één tolk in vaste dienst; de anderen zijn ‘freelancers’, die hun diensten verlenen aan het gerecht. Het komt regelmatig voor dat meer zittingen op hetzelfde tijdstip worden ingeroosterd, waardoor de tolk in vaste dienst een beroep moet doen op de oproepkrachten. Niet alle freelancers zijn overigens in het bezit van een ‘tolkendiploma’: het zijn bijvoorbeeld leerkrachten en andere mensen die meer talen ‘goed’ beheersen.

      Wat betreft de praktijk buiten de zitting, komt het regelmatig voor dat een officier van justitie de voorgeleiding bij de rechter-commissaris in het kader van de bewaring zonder tolk doet, maar met behulp van bijstand van een lid van het CEA.17xCuerpo Especial Arubano: een beveiligingsdienst van de overheid die belast is met de beveiliging van alle overheidsinstanties. Dit gebeurt alleen wanneer geen tolk beschikbaar is. Wat zou het EHRM van de Arubaanse praktijk vinden?

      Wat is het standpunt van het EHRM in deze materie? Uit het in paragraaf 4 aangehaalde Kamasinski-arrest blijkt dat het voor beantwoording van de vraag of is voldaan aan artikel 6 EVRM, meer kijkt naar de vraag of de verdachte de vragen die aan hem werden gesteld heeft begrepen en of hij zich verstaanbaar heeft kunnen maken bij de beantwoording ervan, dan naar het formele vereiste van beëdiging.

      In het arrest Cuscani tegen het Verenigd Koninkrijk kan een concretere aanwijzing worden gevonden ten aanzien van de vraag wat onder een ‘tolk’ conform artikel 6 lid 3 sub e EVRM kan worden verstaan.18xEHRM 24 september 2002, zaak 32771/96 (Cuscani tegen Verenigd Koninkrijk). Het ging in deze zaak om ene meneer Cuscani, van wie de verdediging duidelijk op voorhand had aangegeven dat hij op de zitting de bijstand van een tolk nodig zou hebben, aangezien hij de Engelse taal niet machtig was. Uiteindelijk werd door omstandigheden de bijstand van de broer van Cuscani als tolk ingeroepen. Deze broer heeft overigens gedurende de hele zitting geen woord van het gesprokene vertolkt. Later bleek dat hij zelf heel gebrekkig Engels sprak en niets van de beschuldigingen had begrepen.

      Het Hof viel met name over het feit dat de rechter had nagelaten in samenspraak met Cuscani te beslissen of verdere bijstand noodzakelijk was. Wat had geleid tot schending van artikel 6 lid 3 sub e EVRM? Niet het feit dat er geen professionele tolk aanwezig was geweest, maar het nalaten van de rechter om Cuscani’s ‘full involvement’ te verzekeren.19xEHRM 24 september 2002, zaak 32771/96, par. 38 (Cuscani tegen Verenigd Koninkrijk). Ik vind het verdedigbaar te stellen dat dit arrest blijk geeft van een ‘ruime’ definitie van de term ‘tolk’ gezien het feit dat het EHRM niet struikelt over de vraag wie de vertolking verzorgt, maar of de rechter controleert dat de verdachte de vragen die aan hem worden gesteld heeft begrepen en of hij zich verstaanbaar heeft kunnen maken bij de beantwoording ervan. Of de tolk aan bepaalde formele vereisten voldoet is daarvoor niet van belang; ook een niet-gediplomeerde tolk zou in beginsel de ‘full involvement’ van een verdachte kunnen garanderen.

      Als we de rechtspraak van het EHRM betrekken op de Arubaanse tolkpraktijk, waarbij het grootste deel van de oproeptolken geen ‘professionele tolken’ zijn in bezit van een tolkendiploma, kan worden geconcludeerd dat het EHRM desondanks zeer waarschijnlijk geen bezwaar zou hebben tegen het optreden van deze mensen als tolk, zolang hun optreden er maar toe leidt dat de verdachte zich goed kan verdedigen en op de hoogte is van wat zich afspeelt in zijn rechtszaak. Zoals we hiervoor hebben gezien hanteert het EHRM hieromtrent geen formalistische aanpak, maar een praktische.

    • 6. Aanbevelingen voor de praktijk

      Het recht op bijstand van een tolk begint, zoals we hiervoor zagen, op het moment waarop de strafvervolging start, dit kan dus al bij het allereerste politieverhoor liggen. Het is van belang dat de politie en het Openbaar Ministerie hier rekening mee houden en niet alleen zorgen voor tolkenbijstand indien deze noodzakelijk is voor de communicatie met de verdachte, maar ook indien deze noodzakelijk is om de verdachte een juist beeld te geven van de gang van zaken. Ook voor de rechter ligt hier een taak, om zich ervan te vergewissen of de verdachte in het vooronderzoek geen taalbarrière heeft ondervonden die wellicht voor reparatie ter zitting in aanmerking komt.

      Dit betekent echter niet dat vanaf het eerste begin van de strafvervolging altijd een gecertificeerde tolk aanwezig moet zijn. Naar de maatstaf van het EHRM genomen is een tolk goedbeschouwd iemand die voor de verdachte van de ene taal in de andere informatie overbrengt opdat de verdachte de zaak tegen hem kan volgen. Door de bijstand van deze persoon moet hij voldoende inspraak kunnen hebben om uiteindelijk te kunnen concluderen dat hij een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM heeft genoten. Deze rol kan evenzogoed door bijvoorbeeld een politieagent worden vervuld. Waar het om gaat, is dat de rechter controleert of deze rol – zowel in het vooronderzoek als ter terechtzitting – op een goede wijze vervuld is.

      Het is verstandig dat de rechter eveneens ter zitting controleert of de essentiële gedingstukken voor de verdachte vertaald zijn. Het is zoals we zagen niet de bedoeling dat al het schriftelijke materiaal vertolkt/vertaald moet worden; het gaat erom dat de verdachte met de bijstand die hij van de tolk krijgt op de hoogte raakt van de zaak en zichzelf kan verdedigen om zodoende een eerlijk proces te genieten. Mocht dit nog niet gebeurd zijn, dan kan dit ter zitting worden gedaan.

      Het laatste punt van aandacht betreft het verschil tussen de rechtstaal en de voertaal, en de invloed die deze technische wijziging in het wetboek heeft op de waarborgfunctie van de aanwezigheid van een tolk. Het is belangrijk dat ter zitting steeds een tolk aanwezig is wanneer de verdachte de rechtstaal niet verstaat, en niet alleen wanneer hij de voertaal niet begrijpt. Anders kan immers de hiervoor besproken vertaling/vertolking van de gedingstukken evenmin plaatsvinden.

    • 7. Afsluitende opmerkingen

      Ik begon dit artikel met de constatering dat de wettelijke regeling in het huidige Wetboek van Strafvordering erg marginaal is. Gezien het belang van het recht op kosteloze bijstand van een tolk in het strafproces vind ik het niet meer dan logisch dat het recht op bijstand van een tolk op afdoende wijze in het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt gepositiveerd. In deze paragraaf zal ik op een rij zetten welke wijzigingen wenselijk zijn in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, dat in concept reeds is aangeboden aan de minister van Justitie.20xDit geldt eveneens voor Curaçao en Sint Maarten, die betrokken zijn bij deze herijking.

      Een blik over de grens kan ons helpen bij het signaleren waar de pijnpunten zitten. In Europa is sinds 2010 een door de Europese Unie uitgevaardigde richtlijn van kracht betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (hierna: de EU-richtlijn).21xRichtlijn 2010/64 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 (betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures). PbEU, L 280/5. Deze richtlijn heeft geen directe werking op Aruba en daarom zal ik een uitgebreide bespreking achterwege laten. Wat voor Aruba echter van belang is, is dat het Nederlandse Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van de richtlijn gewijzigd is. Conform artikel 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (de concordantieverplichting) dienen wij ons strafrecht en onze strafvordering zo veel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen.22xZie uitgebreider over het concordantiebeginsel P. Rijpkema, ‘Functionele concordantie binnen een pluralistisch Koninkrijk’, in: E. Witjens, V. van Bogaert & C. Bollen (red.), E Hofi di Ley. Feestbundel ter gelegenheid van 25 jaar Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Aruba, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014.

      Aanleiding voor de EU-richtlijn was de jurisprudentie van het EHRM over artikel 6 lid 3 sub e EVRM en het doel is om de toepassing van het recht op vertolking en vertaling ten behoeve van personen die de taal van de procedure niet spreken of verstaan in de praktijk te vergemakkelijken.23xIn de considerans bij de EU-richtlijn onder nr. 14. De EU-richtlijn geeft in artikel 2 lid 1 een beschrijving van de reikwijdte die de Europese wetgever uit de rechtspraak van het EHRM heeft gedestilleerd:

      ‘De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet spreekt of verstaat, onverwijld door een tolk wordt bijgestaan tijdens de strafprocedure voor onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten, onder meer tijdens politieverhoren, alle zittingen van het gerecht en alle noodzakelijke tussentijdse zittingen.’

      In Nederland was dit zoals gezegd reden tot belangrijke wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering: op bepaalde momenten moest alsnog de toegang tot een tolk worden vastgelegd.24xArt. 27 lid 4, 29a, 260 lid 2 WvSv NL. Dit is op Aruba niet anders; de huidige regeling bestrijkt namelijk slechts een aantal van die momenten, terwijl de rechtspraak van het EHRM waaruit dit recht wordt afgeleid ook voor ons geldt.25xZie ook hiervoor, in par. 6.

      Een ander belangrijk punt betreft de vertaling van schriftelijke gedingstukken. Voor zover ik heb kunnen nagaan, lijkt dat überhaupt niet te gebeuren in de Arubaanse praktijk. Wat kan de reden hiervoor zijn? Naar mijn mening kan het zijn dat de raadsman, die te rade gaat bij het Wetboek van Strafvordering, de indruk krijgt dat zijn cliënt hier geen recht op heeft omdat een dergelijke bepaling in ons wetboek ontbreekt.

      Alhoewel de richtlijn, zoals eerder is opgemerkt, geen directe werking heeft op Aruba, kan zij ons wel een indicatie geven omtrent de stukken die bedoeld kunnen worden. Artikel 3 lid 2 luidt:

      ‘De essentiële processtukken omvatten beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen.’

      De EU-richtlijn geeft eveneens de mogelijkheid om andere stukken als essentieel aan te merken op verzoek van de procesdeelnemers (art. 3 lid 3). In de Nederlandse wet is na de wijzigingen naar aanleiding van de EU-richtlijn nu ook voorzien in de verplichte vertaling van een aantal stukken, te weten, beslissingen tot vrijheidsbeneming, vonnissen, dagvaardingen en tenlasteleggingen.26xZie onder meer art. 59 lid 7, 78 lid 6, 257a lid 7, 260 lid 5, 365 lid 6 WvSv NL, terwijl dit tot voor kort niet zo was.

      Het is wenselijk dat Aruba zich aansluit bij de EU-richtlijn waar het gaat om de stukken die als essentiële processtukken moeten worden aangemerkt. Niet alleen op grond van het concordantiebeginsel, maar ook als gevolg van de rechtspraak van het EHRM. Het is zoals we zagen op basis van die rechtspraak niet per definitie nodig dat al het schriftelijke materiaal vertolkt/vertaald moet worden; het gaat erom dat de verdachte met de bijstand die hij van de tolk krijgt voldoende op de hoogte raakt van de zaak en zijn verdedigingsrechten kan uitoefenen. Het eindresultaat moet immers zijn dat gezegd kan worden dat hij een eerlijk proces heeft gekregen in de zin van artikel 6 EVRM.

      Het derde punt betreft de problematiek van de ‘rechtstaal’ en de ‘voertaal’. Door de in het nieuwe wetboek in te voeren gewijzigde formulering van artikel 348 lid 1 wordt het recht op kosteloze bijstand van een tolk beperkt in vergelijking tot het huidige artikel 348 lid 1 ASv. De reden hiervoor is – zoals eerder gesignaleerd – dat op basis van de huidige formulering, de verdachte, zodra hij de rechtstaal niet machtig is, recht heeft op een tolk, terwijl deze zelfde verdachte, op basis van het in te voeren artikel in het concept-ASv slechts recht heeft op een tolk indien hij de voertaal niet verstaat.27xArt. 348 lid 1 concept-ASv. De memorie van toelichting bij het wetboek miskent volgens mij de in de hoofdtekst beschreven problematiek, vgl. H. de Doelder e.a. (red.), Caribisch Wetboek van Strafvordering. Concept, Oisterwijk: Wolf Publishers 2013, p. 454. Hoe zit het in dat geval dan met vertolking/vertaling van (stukken uit) zijn dossier, dat in de Nederlandse taal is opgesteld? In het licht van de bescherming die een verdachte op grond van artikel 6 lid 3 sub e EVRM moet genieten, betreft deze wijziging een vergissing.

      Het laatste punt betreft een opmerking over het in Nederland ingevoerde tolkenregister. In Nederland is door het ministerie van Justitie in 1999 een Kwaliteitsregister tolken en vertalers ingesteld, dat bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet, op 1 januari 2009, is omgedoopt tot Register beëdigde tolken en vertalers (Rbtv).28xWet van 11 oktober 2007, houdende regels inzake de beëdiging van tolken en vertalers en de kwaliteit en de integriteit van tolken en vertalers (Wet beëdigde tolken en vertalers), Stb. 2007, 375. Het register was bedoeld om de toegang van afnemers tot kwalitatief goede tolken en vertalers te garanderen, maar deze garantie bleek door allerlei praktische problemen in verband met het bijhouden van het register, niet te kunnen worden gegeven.29xZie voor een uitgebreide bespreking van deze wet en kritiek ten aanzien van het Rbtv: M. de Leeuw, ‘De nieuwe wet voor tolken en vertalers: een wassen neus!’, NJB 2009, p. 2021-2022; J.M. ten Voorde, ‘Nieuwe wetgeving inzake tolken en vertalers,’ Proces 2008, p. 184 e.v.

      Op zich is het geen probleem dat in het huidige ASv geen definitie wordt gegeven van wat onder een tolk moet worden verstaan. Dankzij de rechtspraak van het EHRM hebben we een indicatie wat van een tolk wordt verwacht: hij moet voor de verdachte informatie van de ene taal in de andere taal overbrengen opdat de verdachte de zaak tegen hem kan volgen. Door de bijstand van deze persoon moet hij voldoende inspraak kunnen hebben om uiteindelijk te kunnen concluderen dat hij een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM heeft genoten.

      Naar mijn mening draagt een formeel vereiste als een tolkenregister daaraan niet bij, terwijl ook de ervaringen die Nederland heeft met het tolkenregister geen reden geven om deze weg in te slaan.30xWeliswaar wordt het in de EU-richtlijn eveneens tot uitgangspunt genomen (vgl. art. 5 van de EU-richtlijn), maar deze richtlijn heeft in Aruba zoals opgemerkt geen directe werking. Overigens spreekt dat artikel over ‘onafhankelijke vertalers en tolken die naar behoren zijn gekwalificeerd [mijn cursivering; SP]’, iets waar de Nederlandse regeling naar mijn mening niet aan voldoet. De kleinschaligheid van Aruba biedt voldoende waarborgen om te weten of de aangezochte tolken hun vak verstaan.

    Noten

    • 1 Door de enigszins gemeenschappelijke geschiedenis en gelijksoortige samenstelling van de eilanden in de regio (Boven- en Benedenwinden) is de taalbarrière een verschijnsel waar zij ook mee te maken hebben.

    • 2 ‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (…) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd, niet verstaat of niet spreekt.’

    • 3 Uiteraard geldt hetgeen ik hier beschrijf mutatis mutandis ook voor de huidige Curaçaose en Sint Maartense Wetboeken van Strafvordering.

    • 4 Weliswaar gaat artikel 231 ASv over de situatie in het gerechtelijk vooronderzoek, maar dat wordt steeds zeldzamer. Buiten het gerechtelijk vooronderzoek is er niets geregeld betreffende het vooronderzoek.

    • 5 Landsverordening officiële talen, 21 mei 2003, AB 2003, 38.

    • 6 Rijkswet van 7 juli 2010, houdende regeling van taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie). AB 2010 nr. 61.

    • 7 Ik laat de situatie buiten beschouwing dat alleen de officier van justitie de voertaal niet beheerst, en derhalve vertolking nodig heeft, dit valt buiten het bestek van dit artikel.

    • 8 EHRM 28 november 1978, NJ 1980/42 (Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland).

    • 9 EHRM 28 november 1978, par. 48, NJ 1980/42 (Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland).

    • 10 EHRM 28 november 1978, par. 48, NJ 1980/42 (Luedicke, Belkacem en Koç tegen Bondsrepubliek Duitsland).

    • 11 EHRM 8 juni 1976, NJ 1978/223 (Engel e.a. tegen Nederland).

    • 12 EHRM 10 december 1982, Publ. ECHR series A. vol. 56 en 57; EHRM 15 juli 1982, Publ. ECHR series A. vol. 51 (Eckle tegen Duitsland).

    • 13 EHRM 19 december 1989, NJ 1994/26, m.nt. EAA. Een Amerikaanse staatsburger, Kamasinski, werd vervolgd voor oplichting en verduistering in Oostenrijk. De verdachte, Kamasinski, werd daarbij meerdere keren bijgestaan door beëdigde en niet-beëdigde tolken. Kamasinski klaagde niet direct over het wel of niet beëdigd zijn van de tolken, maar wel over het feit dat de Oostenrijkse wetgeving, die voorzag in het aanstellen van beëdigde tolken, buitengewoon vaag was en geen redelijke standaard van vakbekwaamheid voorschreef om de effectieve bijstand van een tolk te garanderen. De zaak werd daarna voorgelegd aan het EHRM.

    • 14 Het Arubaanse wetboek sluit hier deels bij aan, nu bijvoorbeeld in art. 350 ASv staat: ‘In de gevallen waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem vertolkt te zijn.’ Dit ziet op dezelfde belangen, maar opmerking verdient dat waar dit artikel alleen op de terechtzitting ziet, het uitgangspunt in Kamasinksi waarschijnlijk ruimer doorwerkt in het strafproces. Wellicht is de maatstaf in art. 350 ASv zelfs iets stringenter dan door het EHRM wordt vereist.

    • 15 Dit is een diploma van een gespecialiseerde vertaal- en tolkopleiding.

    • 16 Artikel 349 ASv luidt:

      ‘1. De tolk wordt, alvorens met zijn werkzaamheden aan te vangen, beëdigd. Artikel 250, tweede lid, betreffende vervanging van de beëdiging door een aanmaning is, van overeenkomstige toepassing.
      2. Van degene, die op de vordering van het openbaar ministerie door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke tolk is beëdigd, wordt geen nadere eed gevorderd.
      3. Geen van de getuigen, medeverdachten, leden van het openbaar ministerie of rechters wordt als tolk toegelaten.’

    • 17 Cuerpo Especial Arubano: een beveiligingsdienst van de overheid die belast is met de beveiliging van alle overheidsinstanties.

    • 18 EHRM 24 september 2002, zaak 32771/96 (Cuscani tegen Verenigd Koninkrijk).

    • 19 EHRM 24 september 2002, zaak 32771/96, par. 38 (Cuscani tegen Verenigd Koninkrijk).

    • 20 Dit geldt eveneens voor Curaçao en Sint Maarten, die betrokken zijn bij deze herijking.

    • 21 Richtlijn 2010/64 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 (betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures). PbEU, L 280/5.

    • 22 Zie uitgebreider over het concordantiebeginsel P. Rijpkema, ‘Functionele concordantie binnen een pluralistisch Koninkrijk’, in: E. Witjens, V. van Bogaert & C. Bollen (red.), E Hofi di Ley. Feestbundel ter gelegenheid van 25 jaar Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Aruba, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014.

    • 23 In de considerans bij de EU-richtlijn onder nr. 14.

    • 24 Art. 27 lid 4, 29a, 260 lid 2 WvSv NL.

    • 25 Zie ook hiervoor, in par. 6.

    • 26 Zie onder meer art. 59 lid 7, 78 lid 6, 257a lid 7, 260 lid 5, 365 lid 6 WvSv NL, terwijl dit tot voor kort niet zo was.

    • 27 Art. 348 lid 1 concept-ASv. De memorie van toelichting bij het wetboek miskent volgens mij de in de hoofdtekst beschreven problematiek, vgl. H. de Doelder e.a. (red.), Caribisch Wetboek van Strafvordering. Concept, Oisterwijk: Wolf Publishers 2013, p. 454.

    • 28 Wet van 11 oktober 2007, houdende regels inzake de beëdiging van tolken en vertalers en de kwaliteit en de integriteit van tolken en vertalers (Wet beëdigde tolken en vertalers), Stb. 2007, 375.

    • 29 Zie voor een uitgebreide bespreking van deze wet en kritiek ten aanzien van het Rbtv: M. de Leeuw, ‘De nieuwe wet voor tolken en vertalers: een wassen neus!’, NJB 2009, p. 2021-2022; J.M. ten Voorde, ‘Nieuwe wetgeving inzake tolken en vertalers,’ Proces 2008, p. 184 e.v.

    • 30 Weliswaar wordt het in de EU-richtlijn eveneens tot uitgangspunt genomen (vgl. art. 5 van de EU-richtlijn), maar deze richtlijn heeft in Aruba zoals opgemerkt geen directe werking. Overigens spreekt dat artikel over ‘onafhankelijke vertalers en tolken die naar behoren zijn gekwalificeerd [mijn cursivering; SP]’, iets waar de Nederlandse regeling naar mijn mening niet aan voldoet.

Reageer

Uw reactie